woensdag 14 september 2011

Astrid Lampe

Astrid Lampe

ER MOET WAT TE RADEN ZIJN
Astrid Lampe lacht vaak tijdens het interview, heel aanstekelijk. Vooral tijdens het 'bespreken' van de gedichten. Ze vindt, net als Arjen Duinker, mijn pogingen om ze te begrijpen komisch. Ik moet de gedichten ondergaan, me er mee verstaan.

Toen ik je in Groningen hoorde lezen tijdens de Nationale Gedichtendag vond ik je gedichten heel aantrekkelijk en helder, maar lezend heb ik wel problemen. Je hebt zojuist gelezen op de VSB-avond in de Rode Hoed.
Ja, daar heb ik onder andere Martin Reints ontmoet. Ik kende zijn werk al, maar het was goed om hem te ontmoeten en leuk om hem te horen voordragen.
Erik Menkveld ken je ook?
Sinds kort. Door de tweede bundel heb ik wat meer contact gekregen. En via Tirade.
Voel je je verwant met hem?
Nog eerder met het werk van Martin Reints.
Met zijn neiging tot analyseren?
Zijn gedichten zijn helder en kaal. Terwijl mijn eigen werk veel voller is. Ik trek naar kalere poëzie merk ik, droog bijna. Van Dixhoorn bijvoorbeeld. Dat vind ik mooi werk.
En Tonnus Oosterhoff?
Ook wel, maar die is barokker. Eigenlijk lijken we meer op elkaar, maar ik ben blij dat er dichters zijn die kaal en zuinig schrijven, want zelf sta ik in de verleiding om de hele wereld er in te stoppen. Van Bastelaere vind ik ook heel mooi, Diep in Amerika. En Peter Ghyssaert.
Die is heel anders.
Vergelijkingen maken is moeilijk. Verwantschap? Ik voel me er toe aangetrokken. Bij Van Dixhoorn dacht ik eerst: wat is dit voor poëzie?
Begreep je het?
Ah, daar is het woord 'begrijpen'! Deed het me wat, zou ik eerder zeggen. In het begin dacht ik dat het bijna te abstract zou zijn, maar na verloop van tijd helemaal niet meer. Toen werd het zo helder als het maar zijn kan. Ik heb je interview met Arjen Duinker gelezen. Over het begrijpen en doe de groeten aan je zoon. 'Arme Remco', dat hij dat zegt en dat jij het opneemt. Ik heb wel gelachen. 'Begrijpen', dat is een bepaalde attitude. Er zijn betere woorden: dat het je raakt of dat je het verstaat, dat is minder ingevuld. Of: je er mee verstaan, dat is nog meer de richting waarin ik het zou zoeken.
Maar als jij gedichten van anderen leest, heb je dan behoefte om te weten waar het over gaat?
Nee, nee, helemaal niet.
Je kijkt naar gedichten als naar schilderijen zonder anekdotiek?
Je kunt kijken naar gedichten die juist wel die anekdotiek hebben, alleen merk ik dat het een bepaalde ontroering te weeg zou kunnen brengen die ik zelf niet op die manier zoek. De anekdotes staan voor mij het andere in de weg. Zelfs de ontroering in de weg, omdat het verhaal er voor mij niet toe doet, maar wel de betekenis van de woorden. Je bent je als dichter heel erg bewust van allerlei associaties die de woorden oproepen. Wanneer je een woord of een zin kiest, dan weet je dat het een heel veld beslaat, dat er van alles in beweging komt. Dan is het de keuze die je maakt, als in een compositie om bepaalde zaken tegenover elkaar te gaan zettten. Andere elementen worden daardoor meegesleurd.
Zo als bij een muzikale compositie?
Onder andere, maar bij taal heb je zo veel materiaal tot je beschikking dat je bijna een duizendpoot moet zijn om alle verschillende bewegingen die een zin teweeg kan brengen, te vatten.
Zo werd me pas gevraagd waarom ik die titel had gekozen (De sok weer aan) en dan denk ik: het is niet zo interessant om dat verhaal te vertellen. Voor mij heeft het wel een heel duidelijke reden, maar die reden noem ik er niet bij. Anders had ik wel een titelgedicht geschreven. Ik ben me er van bewust dat er nog veel meer andere mogelijkheden zijn om met die titel om te gaan en dan vind ik het belangrijk dat een lezer daar zijn plaats in kan hebben.
In de schoenenwinkel vraagt de verkoper bij het passen: de sok weer aan?
De sok werkt op allerlei manieren, omdat het iets alledaags is. Allerlei associaties. De meest verschrikkelijke. Er is iets aan vooraf gegaan: de sok is uit geweest. Dat is spannend genoeg als je bedenkt dat de voet bloot was. De eigenlijke reden voor de titel heeft te maken met een lang prozagedicht in Yang , 'Lommerrijk speelkwartier'. Daarin stond de zin: 'al weer een rib met vlees bekleed, de sok weer aan'. Voor mij was het een soort opbouw.
Die rib komt in de tweede bundel weer terug.
O ja? Zou kunnen.
Bij 'rib' denk ik aan Eva, maar 'rib' is ook stevigheid.
Ja, en wat er over blijft. Ik moet vaak denken aan vogelskeletten op het strand, die helemaal verwaaid zijn. Je ziet er maar een gedeelte van. Ze liggen half onder het zand. Het verwijst naar het geheel, de vogel er om heen. Zelfs verwaaid, half bedekt blijft het heel krachtig, heel juist van vorm. Levend in zijn werking. Het is schoon mooi en ik kan niet snel iets anders bedenken dat zo vormvast en naar het leven gevormd is als een skelet.
Wat heb je met zee? Schepen, tuigage, want?
Eerder met schepen.
Je bent in Tilburg geboren. Heb je je jeugd aan zee doorgebracht?
Nee, we hadden vroeger thuis een boot. Als klein kind heb ik veel gevaren. Op de Biesbosch. Fantastisch. We voeren wel naar Veere.
Havens. Die plekken. De geuren die daar hangen. Ik hou meer van water dan van bossen.
In Tilburg de middelbare school?
Ja en daarna naar Breda, de analistenschool. Chemisch analiste.
Ach, ik dacht al: biologie of chemie.
Dat zit in de bundels. Mijn exacte kant. Daarna ben ik naar Utrecht gegaan en heb ik de Academie voor Expressie gedaan. Tegenwoordig heet dat de Hoge School der Kunsten, wat toch heel anders klinkt als de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar. Vooral dat gebaar maakten ze 100 procent waar. Daarna wist ik pas echt goed wat beroepsdeformatie was. Tal van ex- studenten kom je in het zgn. 'warme'circuit nog bij bosjes tegen. Het beste van de school was de zelfredzaamheid waartoe je veroordeeld was en de échte, concrete vakken direct gelieerd aan literatuur, theater.
Uiteindelijk ben ik de richting regie ingegaan en daarna heb ik in allerlei theatergroepen gespeeld. Spelen vond ik het leukst. Shakespeare, Pinter, Thomas Bernhard.
Bernhard: koud en helder.
Wat ik daar mooi aan vind, is dat hij zo ver gaat dat er andere mechanismen worden blootgelegd. Frans Strijards. Ik merkte dat er heel veel mensen in verwarring raakten. Voor mij viel het op dat moment gewoon op zijn plek. Ik dacht: dit is mooi! Hij maakte de tekst soms bijna ondergeschikt aan wat er gebeurde. De mensen zaten nog heel vast aan het programmaboekje en aan teksten die duidelijk moesten zijn, maar hij liet gewoon mensen in de rondte tollen, waardoor een andere laag zichtbaar werd.
De vogel in het zand.
Er moet wat te raden zijn. Ik voelde een sterke verwantschap. Zijn Hedda Gabler of de Kersentuin. Volkomen absurd natuurlijk, maar voor mij benaderde dat nog het meest het gewone leven. Ik zag de acteurs daarna nog doodleuk in hetzelfde stuk doorspelen. In dat soort toneelstukken zitten we allemaal gevangen .
Verwantschap is iets heel vreemds, moeilijk te omschrijven. Als ik me verwant voel met het werk van Frans Strijards heeft dat te maken met dat ik zijn aanpak, zijn hand in dingen, onderga als een heel vanzelfsprekende uitbreiding van mezelf. Ik hoef niet meer te denken maar ik ben er, helemaal, in het werk, en iedere onverwachte wending die het neemt beaam ik. Een soort verstild juichen. Alsof je het 'meeschrijft'. Natuurlijk zijn we verschillend. De verwantschap zit misschien nog wel het meest in de onvoorwaardelijkheid waarmee iets gemaakt wordt: zo anarchistisch als de liefde. Of ik het doe of hij het doet, dat maakt dan geen ene moer uit: dát het gedaan wordt! Het dwingt je tot onmiddelijke oprechtheid! Geen ontsnappen meer aan. En het draagt bijna altijd dat risico van finaal op je bek kunnen gaan.
Die affiniteit met de menselijke makkes. Het kolderieke steeds weer misgrijpen in hun eeuwige poging tot houvast. Mijn zwak voor verliefde straatvechtertjes. Die survival. Dapper ontroert mij diep!
Bij het toneel merkte ik dat ik zelf wilde schrijven. Als overgang heb ik een toneelstuk geschreven en vrij snel daarna poëzie. Als je acteert komen de ideeën grotendeels van een ander en dat ging na verloop van tijd wringen. En de aanstelleritis van de acteurs. Ik wilde dat niet als regisseuse ook nog eens tegen komen. Ik heb een deur gesloten. Ik had allerlei ideeën. Eerst kwam er nog een tweede toneelstuk. Ik zou een roman schrijven en toen kwamen die gedichten, heel duidelijk. Het heeft ook met kwantiteit te maken. Al die personages van het theater! Zo werkte het ook met romans. Wel mooi om Van der Heijde te lezen en Louis Paul Boon, maar toen merkte ik dat het op één bladzijde kon. Dat het op één bladzijde werkt, waar je steeds weer terug kunt komen om weer een nieuwe werking te ondergaan.
Je had een hekel aan het gepsychologiseer in de romans?
Vooral de vermoeienis van al die mensenlevens met hun besognes. Het neemt zoveel plaats in beslag. De wereld is al zo vol en bovendien, ik maak het elke dag mee. Poëzie maakt juist ruimte, schoont op. Toneel is overigens ook al kaler dan een roman.
Je bent nu alleen dichter.
Ik heb me tot de poëzie bekend. Zo moet je het er niet inzetten, maar het is wel zo! Er is zo veel uit te zoeken op die vierkante centimeter. Het verschil tussen het oppervlak waar die regels op staan en de ruimte die het in je hoofd kan geven. Dat vind ik mooi. Ik ben terug bij onderzoek, bij analyse.
Hoe schrijf je gedichten? Heb je kladjes of doe je het in je hoofd?
Een combinatie. Ik heb gemerkt dat het 't beste is als je daar niet al te veel ideeën over hebt. Op het moment dat je gaat schrijven moet je gewoon broodnuchter zijn en zonder verwachtingen of bedoelingen. Dat werk gebeurt vanzelf wel door de manier waarop je je ontvankelijk hebt gemaakt. Je gaat door het leven en je stelt je open. Emoties kunnen daarbij helpen. Wanneer je je in het nauw gedreven voelt, of bij andere onaangename situaties. Die zorgen er voor dat de herinnering heel sterk wordt. Dan heb je op de een of andere manier nog iets uit te zoeken.
Je hebt ogen en oren open. Je vangt gesprekken op, citaten.
Je kunt alles gebruiken. Echt alles. Ik interesseer me voor mechanismen in mensen, tussen mensen bedoel ik. Bij de Nacht van de Poëzie in Utrecht zie ik hoe dat werkt. Hoe een verwachting van het publiek voor je uitholt. Bij Pfeijffer bijvoorbeeld. Die heeft het image van de dichter en dan heeft hij ook nog van die Lucebertachtige verzen en dan merk ik dat hij helemaal drijft op die retoriek. Driek van Wissen als clown. En Ramsey Nasr als acteur. Dat soort dingen vind ik heel interessant. Hoe mensen aan een rol gebakken zitten.
Je bent bang voor pathetiek?
Ja. Of je moet het als een mechanisme gebruiken. Pathetiek, lyriek, romantiek, dramatiek. Er is niet zo veel nodig om het op te roepen. Ik merk dat mensen daar graag in blijven hangen, dat ze er op drijven of in zwelgen. Het publiek is daar gevoelig voor. Je hoeft maar een bepaalde toon in te zetten of een sonnet te gaan lezen en je merkt hoe makkelijk mensen er in mee gaan. Omdat ze het kennen, door en door. Dat wil ik zelf stoppen. Dan wil ik wat anders. Als iets mooi is, zou ik het willen beschermen tegen bekeken worden. 'haartjes laat je staan/rechtoverend dit lied/ zing je niet'. Mensen willen graag iets mooi vinden en benoemen dat dan graag, willen het beaamd zien. Maar dan pak je het in, zet het muurvast in een kader en houdt het daarmee voor gezien. Heel geruststellend, strik eromheen af!. Het is veel interssanter als je er nog niet zo veel over kunt zeggen maar dat je, steeds weer terug moet, blijven kijken. Altijd weer die uitdraai van hoe je ietst vindt.
MUSEUMDAG
Ze tekkelt kaders
ademend veld
wipt haar nerveuze dikstaart;
hoofs in de pas, ook
controleert ze
meermaals
de sluiting van haar tas
puur puurst wat hun de kurk schraagt,
om duurst wat hun de kragen laagt de
knal is echt:
als uit één mond
eenstemmig: 'Mooi,' slijpt de keeldrups
smeert hen de krop
langgerekt:
'Le-ver-vlek,' hun
baltsroep 'mooi'
fixspuit
meet oogloos op
mooi mooi stijft de doodskus
mooi mooi spietst vlinders levend
knikt hun de kop
Op p.28 van de nieuwe bundel staat de PAARDENFLUISTERAAR.
Ik denk aan de film en het boek met die titel en als ik het lees kom ik inderdaad allerlei paardendingen tegen. Die 'ik'is een paard en die 'je' de eigenaar. 'nooit wil ik meer zonder de druk van sporen' , een prachtige regel.

Bij de paardenfluisteraar gaat het er om dat een paard ook moet toelaten dat hij bereden wordt. Dat is het hele proces.
Het temmingsproces is ook een liefdesproces; niet alleen maar onderworpen worden.
Dat kun je doortrekken naar opvoeding. Degene die zeggenschap wil hebben over het paard moet iemand zijn die het paard echt verstaat.en in de eerste plaats ook voeling houdt met de oprechte voorkeur en afkeer van het paard. Instinkten niet tegen maar voor je laten werken.
'-toets-tact van de menner die in mij investeerde / met harde hand nog streelt'. Dan volgen er echte paardentermen: 'goed gesloten romp en / keiharde hoeven' etc. De mooiste regel vind ik zelf: 'Wie houdt mijn houding zo optimaal verzameld, / veredelt mijn ras?' Door het paard op de goede manier te berijden, te bespelen. Ik heb de film niet gezien. Ik heb een documentaire over de echte paardefluisteraar of luisteraar gezien.
'dit schabrak van lamsvacht, deze / pure gift van drukpunt & sporen / het alom nog mennend / alom nog minnend aanwezig zijn'
'schabrak van lamsvacht' ligt onder het zadel. Wat er nog over blijft wanneer je iemand heel heftig heb liefgehad - dat je dat nog helemaal in je lijf blijft voelen. Dat het dagen daarna nog echt voelbaar is.
Dit is een gedicht dat kennelijk voldoet aan mijn poëtica: het moet een interessante of verrassende uitspraak doen, die weliswaar is samen te vatten in een aantal zinnen, maar die altijd meer is dan die samenvatting. Steeds als ik het gedicht wil genieten, moet ik terug naar de tekst.
Er zijn zo veel verschillende dingen die in mensen aangesproken kunnen worden met een gedicht. Soms kun je op de klanken gaan letten of op mooie, onbekende woorden. In mijn eerste bundel heb ik veel meer rijm (assonantie, alliteratie) en ik vind nog steeds dat er rijm moet inzitten, maar het mag wel minder. Hier is mooi 'alom nog mennend / alom nog minnend', plus de cadans. Dat is het prachtige van taal. Was het niet Rodenko die zei dat het gedicht behandeld moet worden als een paard? Je moet een gedicht telkens opnieuw veroveren.
Op 33 staat een poëticaal gedicht: 'de zucht naar precieus /tijdrovend handwerk / het aaneensmelten / van obligate figuurtjes / chemisch kant' . Daarom schrijf je poëzie.
Het ambachtelijke. Iets maken, met passie. Het heeft met hoe je in elkaar steekt te maken. Jij bijvoorbeeld, wil heel logisch de zinnen verbinden en dan zul je wel ergens struikelen misschien. Soms introduceer ik iets nieuws, bijvoorbeeld dat 'kussen gevuld met boekweitdoppen'. Ik doe dat niet om het verhaaltje rond te krijgen. Het gaat om materialen waarmee je in de weer bent. Als je iets gemaakt hebt en je draagt het, het gaat naar je lichaam staan, dan voegt het dragen weer iets toe. Het dragen geeft een kledingstuk persoonlijkheid. Ik introduceer materialen: chemisch kant, boekweitdoppen en zelfs het kunstbeen. Het heeft te maken met liefde voor materialen, ook taal, en met wat die materialen uitdrukken. Alles wat je in het leven mee kan maken, wil je ook aan het materiaal meegeven. Je kunt op dezelfde gepassioneerde manier een klokje repareren en dan is het mooi om dat terug te zien. Zoals een kok heel mooi kan koken; dat kun je zien aan het produkt. De liefde voor taal blijkt uit wat je er mee doet. 'immer oplevend / haar nieuwe kunstbeen'. Het gaat om het plezier. Het is soms jammer om het zo te zeggen. Het moet gaan werken, het 'kunstbeen' moet werken, je moet het niet uitleggen. Voor mij is het een heel duidelijk gedicht, heel helder, omdat ik niet het verhaaltje, in logische stappen bijna, er achter hoef te weten. Ik zet dingen naast elkaar, die een relatie aangaan. Klopt het, moet het op die plek of moet het ergens anders? Niet rationeel, maar wel heel dwingend. Je probeert het uit. Je hebt een enorme opslag volgens mij, waar dat ineens uit te voorschijn springt. Zo gaat het met het schrijven althans. In dit gedicht gaat het om het maken van iets, de aandacht die je aan de dingen geeft, liefde voor het materiaal en dan wat er uit komt, het produkt, het karakter van vlees & bloed. Je kunt bijna een personage bedenken. Avontuur! De wereld is voor ons toch?
p.34: 'de hoeken strak / het filmpje water dat niet ophoudt te / spoeden langsonder van iedere slordige kei de slijpkant / het zicht dat dagelijks gedotterd uitbuikt / zich droogt en kalandert / in de draai van de trap'
Dat loopt prachtig.

Mooi woord hè, 'kalandert'? (Met een kalander maak je stoffen, papier of leer glad en strak.) 'de deal, met alle geweld / met blote hand te sluiten / -gereedschap / -kuiken.' Daar heb je ook weer een principe bijna: 'met alle geweld / met blote hand.' 'gereedschap / kuiken'; dat zijn de elementen waarmee je werkt.
'pathetiek om zeep gebracht / consequent van alles met een luchtje de merknaam boy- / cotten' . Dat is een programma..
'spieden langsachter van iedere douchetegel de stuc-kant'. Esther Jansma had het over de onderkant van een stoel, of de achterkant van de verwarming. Die moet we toch ook eens aandacht geven. Hier nog sterker, want die arme tegel zit vast.

En dan ook nog zo glad aan de voorkant!
'het beeld als onder de kolbeitel van de drumslager uitbuikt en / aarde maakt' (kolbeitel of koud beitel is gereedschap van de koperslager)
Het gereedschap waarmee je werkt en wat je er mee doet en wat het wordt: aarde.

Uitleg maakt het bijna dood. Je moet het ondergaan.
Het kuiken komt in Rib al naar voren. 'SCHAALBREEK'
de regels van gister
voer ik als zangzaad op
aan regelbreek-
vèrs
vandaag de dag
opdat: weer kan, weer mag
'n eitand moed rest
ons föhnklaar het dons wake-
licht om het hart
'wake-licht'; de eerste bundel is traditioneler. Die eitand is een instrumentje. Een vogeltje in je hand. Zo'n beestje, dat nog heel erg naakt is, alleen maar een hartje dat klopt. Een hand kan dat heel gemakkelijk vermorzelen, of koesteren. In een gedicht kan dat ook. De harteklop van het leven moet in ieder gedicht aanwezig zijn. Een ander noemt dat de passie of de liefde. In ieder geval het levende.
Vitaliteit. Dat is jouw religie.
Nou, dat is wel een mooie. Ja.
Je leeft zoals bloemen.
Dat weet ik niet hoor, hoe ik leef. Of als paarden. Ik ben wel blij dat ik benen heb. Soms een kunstbeen. De zin van het leven... Voor mij is het wel duidelijk: je moet gewoon leven. Ik kan nog het meest met de filosoof die het over monaden heeft, dat soort theoriën. De mens van tegenwoordig heeft een andere uitrusting meegekregen, waardoor dingen die voor bepaalde mensen nog niet logisch zijn, op hun plek kunnen vallen. Het heeft met plezier en overgave te maken, met de aandacht die je iets geeft . Als je dingen maakt waarin je alles een plek kan geven, dat is mooi. Je moet kunnen springen en niet vastgebakken zitten. Ik kan uit Utrecht weggaan. Ik heb nu een gedicht waarin ik schrijf: 'ooit zat ik op een bankje in Ohio'. Mooi, dat je je met taal zo,kníp, kunt verplaatsen. Je kunt alles met taal, nou ja,de wereld is ons..
Zoals Erik Menkveld schrijft: 'Schapen nu' en dan staan ze al te blaten voor het raam.
Je kunt de wereld ensceneren. Je kan hele decors met één zinnetje neerzetten. Dat is heel mooi.
In de kritiek werd verhoudingsgewijs veel gezegd over de gedichten over kinderen. Die zijn begrijpelijker of herkenbaarder.
Ja. Ik heb meer gedichten over kinderen geschreven die ik bewust niet publiceer, omdat ik weet en heel goed snap, waarom die ontroeren. Op die manier wil ik niet ontroeren. Ik wil iets anders. Het heeft te maken met de manier waarop je mensen dan aanspreekt. Ik merk heel vaak, dat wanneer het over een kind gaat en wanneer daar dingen in gegeven worden, die voor iedereen direct herkenbaar zijn, dat het dan een bekende wereld aantipt en opent en dan krijg je de reactie: o, ja, dat is mooi. Dan leg je het vast. Mensen maken een foto; en dan is het dood. Het moet niet in een cocon terecht komen. Ik wil het open houden; andere mogelijkheden er naast zetten. De deal van het gereedschap, koud, wetmatig, meedogenloos, en het kuiken. Met alle geweld, met blote hand te sluiten. Als je met je hoofd in die wieg ofwolk blijft hangen, wordt de ervaring gedempt. Op het toneel is er de techniek van het schakelen, pats, pats, van het één naar het ander. Je laat verscheurdheid zien. Er hoeft geen verhaal meer achter te zitten. Ik wil in mijn gedichten schakelen, zodat je niet blijft hangen. Daardoor springt een andere betekenis los.
p.36: 'één verhuizing en ze leggen het loodje de // diepgevorkte staart van zo'n boeren-zwaluw-man / kan ons vrouwtjes / bij lange na niet lange genoeg zijn // kunstspeeksel met uw geld ontwikkeld, / valt intussen door dit bedrijf / niet meer aan te slepen: /blij met uw plaats op de bank?'
Mensen zijn geconditioneerd, zoals dieren geconditioneerd zijn. Zo'n beeld als de gevorkte staart van een zwaluw, hoe langer hoe duidelijker, hoe mooier. Niet mis te verstaan.Dat is een behoefte. Fascinerend hoe dat in elkaar zit. Er zijn regels voor wat mensen mooi en niet mooi vinden. Maar daar begint het pas voor mij. Als je verder gaat, kom je de vrijheid en het avontuur tegen. Speeksel kun je zelf ook aanmaken, maar mensen zoeken hun heil bij kunstspeeksel. Je zou bijna kunnen zeggen, dat gedichten een soort kunsttranen zijn. We laten ons ontroeren. Laat je ontroering niet ontlenen aan iets dat voor jou gemaakt is. Een vreemde autoriteit wordt dat. Die ontroering kan je weghouden van wat jezelf kan meemaken. Stel je eigen autoriteit, laat je oren niet hangen naar wat mooi moet zijn.
Jij hebt dus wel een mededeling in een gedicht, anders dan wat Arjen Duinker zegt.
Ik begrijp Arjen heel goed. Het gedicht moet autonoom zijn, het moet niet verbonden zijn aan een verhaal, dat ik nu geef. Voor mij was het een soort kapstok. Als je de tekst van Arjen Duinker leest, is het duidelijk volgens mij. Spring er gewoon in. Het is een ander soort logica dan van het verstand. Hij verlangt een ander soort conditie van de lezer. Hij vraagt lenigheid. Durf je over te geven. Ik vond het interview met hem heel stroef overkomen, maar ik snap het heel goed. Mensen gaan vaak met de verkeerde dingen aan de haal. Het verhaal gaat er tussen staan. Daarom heb ik zelf ook een enorme weerstand om een verhaal te vertellen. Mensen hebben geen toegang tot bepaalde poëzie en dan willen ze een verhaal horen om duidelijkheid te krijgen. Een recensie bijvoorbeeld. Dat vind ik zó jammer. Duinker houdt dat heel goed af. Je kunt het ervaren als een marteling om antwoord te geven op van die keurige vragen. Een keurig antwoord geven op van die vragen. Sommige mensen zijn daar heel goed in, maar ik wantrouw zo'n keurig verhaal. Ik ben niet zo geïnteresseerd in een af verhaal.
Ik wil niet dat intelligente poëzielezers afhaken en bijvoorbeeld jouw gedichten wartaal noemen.
Ik ben heel blij dat ik niet alleen sta, dat Van Dixhoorn schrijft en Van Bastelaere. Misschien moet je een sprong maken naar een andere conditie en dat kan alleen maar door die oefening mee te maken. Dichters zoals Arjen Duinker zou je ook kunnen zien als een soort gymnastiekleraar. De turnmeester die de oefeningen uitzet, niet te agogisch of pedagogisch want zelf atleet, hij houdt je lenig. We hebben met z'n allen de beschikking over een gigantisch archief. We hoeven niet te blijven hangen in een beschrijving van de natuur. Appel heeft ooit gezegd: 'Ik kijk het schilderij af.' Een enge uitspraak, maar soms lijkt het er wel op, dat een gedicht zich - zeker wanneer het zich dwingend aandient - op die manier compleet laat kijken. Laat het met rust, laat het werken. Dan worden er nieuwe verbindingen gemaakt. Daar word je leniger in. Er is een enorm poëtisch idioom; geef het de ruimte.
_____________
PAARDENFLUISTERAAR
een vermogen kost ik je
een vermogen aan kundig
soepelgeklopt en gestroomlijnd
spaans leer
hoe dit zadel ook weegt
nooit wil ik meer zonder de druk van sporen,
-toets -tact van de menner die in mij investeerde:
met harde hand nog streelt
een
stalen constructie
-diepe,
goed gesloten romp en
keiharde hoeven -
leek een eerste vereiste:
plus de optimale strekking
die het been met snelheid associeert
hoofd en hals hoog gedragen
een kaak die gegarandeerd
nooit of te nimmer naar grofheid neigt
Wie houdt mijn houding zo optimaal verzameld,
veredelt mijn ras?
na jou
niemand toch, koeienjongen met harses
oogopslag
kop
koeienjongen met massa
na jou niemand toch: man
die die kostbare zadel
niet eens met zich meenam
dit schabrak van lamsvacht, deze
pure gift van drukpunt & sporen
het alom nog mennend
alom nog minnend aanwezig zijn

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen