zaterdag 17 augustus 2013
Kasper Peters - Het is een spel met woorden (mei 2013)
Kasper Peters (1973) trad en treedt op als podiumdichter. Hij publiceerde ‘Hellevaartsdagen’ (2004) en ‘Kanaalkoorts’ (2009).
In juni komt een derde bundel uit:
Hij geeft vaak poëzielessen op scholen, wordt daar ‘de brommerdichter’ genoemd en werkt al veertien jaar in De Mesdagkliniek in Groningen met gevangenen.
Schilderij in stilte.
Slapen in de stilte is een bijzonder ontwaken.
Zwijgen in een wereld vol ideeën een last.
Kan je in het midden van de nacht aan vragen denken?
Gedeelde schoonheid is dubbele schoonheid.
Een schilderij op de muur voor veel ogen
kan gaan bewegen als een tuin
die draait in het zonlicht rond het huis.
Wij kijken naar een wereld, naar een kleur op een muur
die daar gisteren nog niet lag.
Zie je dat, dan valt je morgen weer iets anders op.
Ik had die kleur niet gezien als iemand zijn schilderij
in een kluis had bewaard en niet begrepen dat
bijen onze goden zijn.
Kasper: Dit gedicht heb ik geschreven naar aanleiding van een EO-programma op de radio. Je moet dan een gedicht schrijven in een uur. Het ging over een echtpaar dat kunst verzamelde en er was sprake van een tuin. Ik kijk wel van te voren wat de onderwerpen zijn, zodat ik gegevens kan verzamelen.
Die eerste regel is geheimzinnig. De tweede regel is gemakkelijker: als er veel ideeën zijn, is zwijgen moeilijk. De derde regel is een goede vraag. Gedeelde schoonheid...
Dat is een grapje. Ik las bij Louis Paul Boon ‘gedeelde smart is dubbele smart’. Dat vond ik mooi. Je moet niet altijd je zorgen delen, want dan zitten anderen er ook mee opgescheept. Met schoonheid is dat wel mooi.
De derde strofe gaat over het schilderij dat veel mensen kunnen zien; het gaat als het ware bewegen. En daarna gaat het over de kleur en over dat je bij een goed schilderij steeds iets anders opvalt.
Ja, dat is zo.
Er is een tuin en er zijn dus bijen en die zijn heel belangrijk voor ons voortbestaan.
Ik vind het belangrijk dat het voor een groot publiek te begrijpen is, maar ik moet het zelf ook leuk vinden om te schrijven. De eerste zin is een J.C.Bloem-zinnetje, zo’n oneliner. Dat trekt de lezer hoop ik naar binnen.
Slapen in de stilte levert een bijzonder ontwaken op?
Ja zo iets. Mijn nieuwe bundel komt eind juni uit. De uitgever wilde eerst printing on demand, maar dat lijkt me niet mooi. Je bent er toch een paar jaar mee bezig. Dan moet het op papier. Ik denk dat de bundel niet zo geschikt is voor een groot publiek, maar ja ik vind het hartstikke leuk om te schrijven. Ik hoop dat er twee-, driehonderd mensen zijn die het ook mooi vinden.
Waarom schrijf je gedichten? Omdat het van je zelf moet toch?
Het is gewoon leuk om te doen! Ik loop rond en schrijf zinnen op. Soms heb ik zes gedichten over een onderwerp, maar ik kies er maar één voor een bundel. Ik vind het mooi als een lezer aan het eind van een gedicht denkt: aha, zó zit het. Je moet niet precies zeggen wat je bedoelt. Dat moet de lezer er zelf uit halen. Dat is een extra spel-element.
De bundel ‘Kanaalkoorts’ is heel mooi uitgegeven. In een café ontmoette ik twee mannen met geld. Ze zeiden: ‘Als je een goede reden heb om geld bij ons te verdienen, dan geef je maar een gil.’ Die bundel wou ik op mooi papier en een goede drukker, maar dat kostte veel geld. Toen heb ik die mannen gevraagd. Ze gaven me een opdracht. Ik kreeg anderhalve week de tijd, hard werken en dan betaalden zij wat ik nodig had. Ik ging naar de plek van de huizen die verkocht moesten worden om rond te kijken. Er stonden grote iepenbomen waar de buurt last van had. Officieel kunnen die bomen maar dertig of veertig jaar staan. Die bomen waren geplaatst als bruidsschat bij een boerenbruiloft. Het hout werd gebruikt in de klompenmakerij. Ik schreef stukken voor hun reclamebureau en ze waren tevreden. Ik kreeg het geld voor de bundel. Liever verkoop ik me niet.
Je geeft veel les op scholen?
Ja. De scholen bellen mij na al die jaren. Soms is er geen geld, dan doe ik het gratis. Ik verdien iets bij Mesdag en ik speel af en toe een rollenspel voor onderzoek en ik geef wat les bij Academie Minerva. De meeste tijd ben ik aan het schrijven. Ik werd gevraagd voor een Piratenfestival, maar op de poster mocht niet staan dat ik een dichter was. Te elitair of zo? ‘Maak er maar rapzanger van’ zeiden ze. Ik zat met zestig kinderen in een tent gedichten te schrijven en daarnaast was er Nederlandstalige muziek.
Voor de nieuwe bundel heb ik drie bekwame lezers die me adviseren. Het gaat soms over woorden of regels, soms over de samenstelling. Er zijn drie soorten gedichten. Dat worden aparte afdelingen. Het zijn allemaal keldergedichten.
Kelder
Schil de muur, vang de diepte
cijfers in de uren.
De som ligt te wachten op een zet.
Een kamer beschrijven is met een
driehoek de inhoud meten van het moment.
Het is het jaar van de zachte winter
die me wakker houdt.
Tel de ruimte en zing de ruimte.
Elke muur opnieuw een schaap
in de schapen de herhaling van de muren.
Roem rust, roem rust.
De crisis waait, het publiek roept
buiten om de uitverkoop.
Ik ben lui en koester de leegte.
Al moet ik honderd muren zien
honderd schapen laten grazen.
=
Er stond eerst ‘op het moment’ in de tweede strofe, maar ik vind ‘van het moment’ beter. Dat zegt meer.
De muur schillen?
Hier zit iemand in een kelder, een lege vierkante ruimte zonder zonlicht. Hij wil er uit: de muur afpellen of schillen, laagjes er af halen. In de lege ruimte heb je alleen maar je gedachten en je voorstellingen. De voorstellingen kunnen bloemrijk zijn. Je kunt ze schillen.
Cijfers in de uren?
Dat is het wachten en de tijd. Wat er ook gebeurt, al ben je in paniek, je wilt de situatie voor je zelf ordenen, zodat het voor jou een behapbaar, helder beeld wordt, ook al is het moeilijk.
Ik verander nog steeds. Ik zag dat Harry ter Balkt dat ook deed, tijdens het lezen zelfs.
Ach, het is leuk om te schrijven. Je denkt wel eens: waar doe ik het voor? Zal ik nog een bundel uitgeven? Zitten er mensen op te wachten? Het is een spel, een spel voor je zelf.
Hoe ben je bij de poëzie gekomen?
Ik heb twee antwoorden. Tegen kinderen zeg ik: ik kom uit een dorp zonder speelgoedwinkels. Als je lego hebt zijn op een bepaald moment de stukjes op. Dan kun je een A4-tje neerleggen en dan gewoon verder schrijven hoe het eruit moet gaan zien. Bijvoorbeeld: hier komt een dikke muur, hier komt een groot uitzicht op de sterren. Al die tekeningen en dat lego-en met woorden, heb ik samengevoegd in teksten. Toen ik ging studeren kwam ik jonge dichters tegen en die zeiden: man, je schrijft gewoon gedichten. Daarna moest ik een keer optreden.
Het andere verhaal is: mijn vader schreef gedichten. Ik moest een week logeren bij een oom en een tante. Ze hadden een fabriekje met een grote wasserette. Die mensen waren zo bezig met geld verdienen; ‘s avonds snel even eten. Ik vond dat benauwend. Toen kwam ik weer thuis en ja, er was een scheur in de muur en als het koud was lagen we met zijn allen voor de gaskachel. De ene keer was er weinig geld en daarna waren er allemaal vrienden op bezoek en dan zaten we met z’n allen om de tafel te drinken en te eten en te ouwehoeren, teksten te lezen, biefstuk eten.
Ik was goed in wiskunde en economie en Nederlands was een ramp. Daar begreep ik niks van. Dat is de reden waarom ik gedichten ben gaan schrijven. Iets waar je zo weinig van snapt, wat zo mysterieus is! Dat er een afspraak is van mensen met woorden, dat je het niet hoeft te tekenen, dat je zelfs gevoelens kunt beschrijven! Je kan met een gedicht een schilderij beschrijven, maar je kan er nog veel meer mee doen. Je kunt proberen bedoelingen duidelijk te maken. Je kan hele avonturen beschrijven.
Je leest ook veel?
Ja, ik lees echt veel. Ik hou de poëzie goed bij. Ik vind het wel heel verhalend te laatste jaren. Af en toe denk ik: het lijkt of ze een verhaal met zo weinig mogelijk woorden willen vertellen. Oudere dichters als Ter Balkt en Faverey vind ik soms heel moeilijk. Wel mooi. Je hoeft het niet altijd over de inhoud te hebben. Het kan gewoon mooi zijn. Tonnus Oosterhof kan gaten laten vallen die de lezer maar moet invullen. Spannend. Nijhoff vind ik heel goed. Deze week heb ik een oude druk van Vondel gekocht. Mooi vind ik dat. Naar de kinderen neem ik altijd een 17de-eeuws boek met gedichten van Vondel mee. Ik haal het uit de doeken en lees wat voor, bijvoorbeeld over de Engelse oorlogen. Die kinderen denken: Engeland? Ja, toen hadden we oorlog met elkaar en Vondel zegt lelijke dingen over de Engelsen. In een klas kreeg ik een keer een paarse fluwelen zak met een grote V er op geborduurd voor dat boek. Dit boek hebben duizend kinderen al in handen gehad. Ik moet naar de Koreaan. Die is gevlucht uit Noord-Korea en woont hier ergens op het platteland. Hij kan boeken restaureren. Die kinderen zeggen: ah, meer dan de helft van de woorden zijn nog dezelfde woorden! ‘de’ is nog steeds ‘de’! Ik wil geen dichter van die kinderen maken, maar ze wel vragen laten stellen, zodat ze ook de politiek later kunnen bevragen. Als je niet hebt leren spelen met woorden, neem je alles voor waar aan.
====
Eerder verschenen in het blad Schrijven
Nogmaals Lieke Marsman (8-2013)
‘omdat mensen niet onder mijn tong blijven liggen’
Van Lieke Marsman (*1990) verschenen gedichten in Tirade (inmiddels maakt zij deel uit van de redactie) en dat leidde tot uitgave van de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud, bekroond met de Van der Hoogt-prijs en de Liegend Konijn Debuutprijs en de Buddingh'-prijs. Zij is bezig met de afronding van haar studie filosofie in Amsterdam.
Ik zie dat je op de wand allemaal gedichten hebt voor de nieuwe bundel.
L.M.: ‘Dat klopt; dit is de eerste opzet. Ik hoop dat hij er het volgend jaar om deze tijd wel is.
Sinds ik hier woon schrijf ik heel veel, dat is heel fijn. De helft van alles wat daar hangt, heb ik de afgelopen twee maanden geschreven. Door allerlei oorzaken heb ik daarvoor heel weinig geschreven. Ik weet uit ervaring dat ik in de zomer wat meer schrijf, omdat ik meer tijd heb, waardoor ik ook de dingen die nog niet klaar waren, kan afschrijven. Toevallig deze week heb ik iets naar mijn redacteur opgestuurd.
Heb je al een titel?
Een soort werktitel. Bij de eerste bundel had ik als werktitel de definitieve titel. Toen de bundel af was, spraken we over de titel en ik deed enkele voorstellen. Ik dacht dat de uitgever Wat ik mijzelf graag voorhoud niet goed zou vinden, maar dat bleek wel het geval.
Er is een bekende regel van Remco Campert: ‘Ik bevestig dat ik leef / dat ik niet alleen leef.’ Is dat een reden om te schrijven?
Ik heb hier de laatste tijd veel over nagedacht omdat ik stukjes schrijf voor de Tirade-blog, elke week één. Ik schrijf vaak met iemand in mijn achterhoofd. Ik heb altijd wel een geliefde of iemand die ik bewonder, die in mijn achterhoofd met me meeleest. Dat werkt heel goed voor mij, want dan komt er een soort druk op. Ik moet me extra bewijzen, want ik wil dat diegene het heel goed vindt. Ik weet niet of ik bevestig dat ik leef met mijn schrijven, want ik vind leven en schrijven twee verschillende dingen. Leven is gewoon met vrienden zijn, of dronken worden, of weet ik wat, wat is leven. Maar ik voel de behoefte om wat ik schrijf te laten lezen aan anderen, en meer nog dan dat ik doe alsof in mijn hoofd. Als ik heimelijk verliefd ben, ga ik het gedicht dat ik met diegene in mijn hoofd schrijf natuurlijk niet op sturen aan diegene; zo veel trots heb ik dan ook weer. Hoewel. Eigenlijk doe ik dat wel: dat is een manier om diegene bij me te houden, en hoewel dat nogal geforceerd is, is schrijven in die zin een manier om niet alleen te zijn.
Je bent je bewust, blijkt uit je poëzie, van een soort existentiële eenzaamheid. Ik moest denken aan Anna Blaman, die een roman schreef over de liefde: Eenzaam avontuur. Zij zegt: ‘Juist in de liefde realiseer je je dat je alleen bent.’ Je kunt de ander raken, maar je kunt er nooit inkomen. Het is een huid op huid contact.
Ja, dat vind ik heel herkenbaar. Dat is een van de dingen waar een paper over Sartre en Blanchot dat ik onlangs voor mijn studie schreef over ging, al had dat wat meer betrekking op literatuur. Je hebt niet de intentie om samen te smelten met de ander, het gaat er om dat je de ander erkent als ander. Voor mij is liefde het ontmoeten van je geliefde, waarbij er alleen sprake kan zijn van resonantie. Liefde is individueel; je valt niet samen. De ander heeft geheimen waar je alleen maar naar kunt raden en dat is frustrerend, maar daar moet je je bij neerleggen. Misschien schrijf ik daarom zo veel de laatste tijd. Ik kan er slecht tegen dat je de hele tijd moet gissen naar wat er om gaat in andere mensen, dat je er bij neerleggen vind ik heel moeilijk. Mijn methode is dan altijd dat ik zo veel mogelijk van mezelf laat zien, misschien indirect, in een gedicht dat ik wel of niet opstuur: ik stel mezelf kwetsbaar op in de hoop dat de ander ook iets van zichzelf toont. Dat is dom en gevaarlijk, maar voor het schrijven werkt het wel goed.
Een uitspraak, die bij me opkwam toen ik je gedichten herlas is: ook een verloren liefde kan je gelukkig maken, omdat je jezelf geeft en in het geven kun je gelukkig zijn.
Natuurlijk kan een niet gerealiseerde liefde je heel erg ongelukkig maken, maar ik heb het optimisme of de hoop, dat ik denk, oké, ik ben hier erg ongelukkig mee geweest, maar het was wel liefde, dus het was het allemaal waard.
Ik zie vrienden om me heen die heel erg met de liefde worstelen en die vaak bang zijn voor liefde. Dat geldt voor mij niet, denk ik. Ik kan ook bang zijn als ik iemand leuk vind, maar ik laat die angst er geen invloed meer op hebben. Dat komt ook doordat ik heel erg bang ben geweest voor andere dingen. Dat was een existentiëlere angst, levensangst. Als je dat hebt ervaren en doorstaan, ben je voor liefde minder bang, denk ik. Ik dacht altijd: ik heb nog liever vijf gebroken harten op rij, dan dat ik dit weer moet voelen. Het delen van emotie kan me nu juist gelukkig maken, en ik geloof dat ik makkelijker en intenser liefde voel dan ooit tevoren. Omdat ik zo blij ben dat alles er nog is. Na zo’n periode van angst, komt wat je leest, of de muziek die je hoort, veel harder binnen. Maar daar word je ook creatiever van. Welke ik overigens niet wil cultiveren - ik ben tegen zwelgen in je gevoelens.
Je hebt na je eerste bundel een hele ontwikkeling doorgemaakt als dichter. Je hebt veel gelezen, dichters ontmoet. Hoe kijk je nu naar poëzie na deze drie jaar?
Mijn kijk op poëzie is vooral veranderd omdat ik zelf veranderd ben. Ik voel me heel anders dan toen mijn eerste bundel uitwam. Het ging dus een tijd niet zo goed met me, omdat ik zo bang was. Dat had niets met poëzie te maken. Sommigen dachten dat het te maken had met de aandacht voor de bundel, maar dat was niet zo. Ik schreef in die tijd weinig, gooide misschien zo nu en dan wat wanhopige gevoelens op papier, maar daar kon ik geen gedicht van maken. Ik las toen ook niet, dat ging niet - ik kon nog geen drie minuten stil zitten. Ik heb toen wel een verzameling aangelegd van gedichten over angst. Op een gegeven moment ging het beter en toen ben ik weer poëzie gaan lezen. En ben er met andere ogen naar kijken.
Ik was geen bang kind, maar als puber heb ik wel allerlei angsten gehad.Telefoonangst, sociale angsten. De afgelopen twee en een half jaar had ik last van angstaanvallen. Het is blijkbaar iets waar ik aanleg voor heb.
Had dat met de dood te maken?
Het was meer de angst om gek te worden; dan ben je er nog wel, maar alles is anders. Ik was niet bang voor een hartaanval of zo, maar om de controle te verliezen. Toen ik heel klein was, werd ik een keer onder narcose gebracht en toen had ik vreselijke nachtmerries. Ik werd huilend wakker, want je kunt er niet uit. Dat gevoel: er te zijn, maar niet meer weg te kunnen. Ik was bang voor een neerwaartse spiraal. Nu zijn mijn angsten gelukkig over, al heb ik soms een korte terugval. Ik heb daar heel erg hard voor moeten werken: gesprekken, pillen, me helemaal suf sporten. Angst is een hele andere emotie dan verdriet. Ze is eigenlijk een vorm van levenslust: je wil zo ontzettend graag dat het goed gaat, en daardoor slaan de stoppen door. Ik was zo bang om weer last te krijgen van de depressieve gevoelens die ik als tiener had. Toen ik veertien, vijftien was, voelde ik me heel eenzaam. Ik had wel vrienden op school, maar ik vond ze voortdurend teleurstellend. Ik dacht: als dit vriendschap is, dan hoeft het van mij niet.
Bij de nieuwe bundel ga je meer gebruik maken van je kennis van zaken van poëzie?
Ik hoop het, maar ik heb nog geen manier gevonden om dat concreet te maken voor mezelf. Ik merk nu dat als ik gedichten lees, voor Tirade bij voorbeeld, ik precies weet waar het niet goed zit, maar ik kan dat niet precies benoemen. Het heeft veel te maken met timing, dat voel je simpelweg aan. Ik moet ook proza beoordelen en ik merk dat oordelen over gedichten me gemakkelijker af gaat.
‘Ik zal zo hard zingen / dat er weer paarden kunnen verdrinken/ in het moeras aan mijn voeten.’
Het moeras heeft met de angst te maken.
In het gedicht is het zo dat er een sneeuwlandschap is en dat gaat ontdooien en het dooit omdat de ik-persoon zo veel van zichzelf toont dat er warmte komt. Zo smelt het moeras. Dat is enerzijds heel positief, maar dat heeft ook een keerzijde.
Esther Gerritsen heeft de neiging om de wereld te redden.
Reddingsfantasieën: die heb ik heel sterk. Vroeger was het echt de wereld die ik wilde redden. Ik wilde als kind een drankje verzinnen, dat iedereen beter zou maken. Ik had een eigen laboratorium met potjes, waarmee ik dat drankje brouwde en dan zag ik in mijn hoofd rijen dik mensen voor de deur, die een lepeltje kregen. Dat was om die mensen te helpen, maar ook opdat de mensen mij hierdoor heel aardig zouden vinden. Nu heb ik dat als ik op iemand verliefd ben: dan fantaseer ik dat diegene ziek wordt en dat ik dan heel lief kan zijn. Of iemand wordt bedreigd en ik ga haar redden.
Je bent in de supermarkt en je legt een pakje niet biologisch vlees op de band en je denkt: o, vinden ze dat misschien slecht van mij?
Ja, dat is heel stom, dat ik dat heb. Ik heb het idee dat andere mensen altijd meekijken. Als ik verliefd ben op iemand die vegetariër is, dan ga ik in mijn eigen huis minder vlees eten, ook al komt ze dat nooit te weten. Als ik met iemand aan het afspreken ben die van schilderen houdt, dan pak ik ’s avonds in bed mijn kunstboeken erbij. Dan voel ik me een beter, een leuker mens voor de wereld.
Wat betekent het woord ‘broer’ voor jou?
Ik heb geen broer, maar ik heb wel een hele goede vriend en ik voel me een beetje zijn zusje. We zijn eerst gewoon vrienden geworden, maar nu spreken we elkaar zo veel dat het voelt alsof we familie zijn. Ik noem hem ook mijn broer. Ik kan onaangekondigd bij hem langs komen, hij is er altijd. Mensen denken soms dat we geliefden zijn, maar dat is niet zo, want ik val op vrouwen. Mijn vriendschap met hem is geen gewone vriendschap, die je na een ruzie zou kunnen verliezen. Hij is me verwant en dat gaat niet over.
Zou je terug willen naar de kinderlijke hulpeloosheid of afhankelijkheid?
Nee, niet meer. Misschien soms, bij momenten lijkt het me nog wel prettig. Als ik heel erg in de put zit, wil ik wel weer bij mijn moeder op schoot, maar eigenlijk heb ik juist zin om ouder te worden. Als ik dertig ben, dan kan ik misschien met iets meer rust naar me zelf kijken. Ik kijk uit naar het moment dat ik zelf kinderen krijg. Het is niet zo dat ik dat voor nu al wil, maar later toch zeker wel. Dat lijkt me fantastisch. De afgelopen drie jaren waren mij een beetje te turbulent, intens. Dat was vaak ook heel geweldig, maar het mag wel wat rustiger worden.
Een van de laatste gedichten die je publiceerde was ‘Varaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams’.
‘Ik had acht maanden een relatie met je, maar ik was al die tijd lesbisch.‘
Ha, dat is wel in overleg gegaan met de jongen over wie het gaat, hoor.
’Ik bleef in je buurt, want je beste vriendin was zo knap.’
Dat is niet waar, maar dat werkte voor het gedicht heel goed.
‘Toen we friet gingen eten heb ik mijn patatzak met de mayonaisekant / je gezicht in geduwd, daarna ben ik lachend het begijnhof uitgerend. / Ik voelde me uitstekend, maar voor jou was het anders, / en dat spijt me.’
Er zit een soort verlangen in naar iemand die jou de baas is. ‘Ik voelde me uitstekend’
Aan het slot ga je heel ver met die hond: ‘Ik liet mijn hond in je gezicht bijten en je bloedde als een rund. / Vergeef me. Je leek me zo lief en zo zacht die dag / en ik wilde alleen maar kijken of je dat echt was, zo lief / en zo zacht.’ De lezer zou kunnen denken: jij hebt behoefte aan een man die tegen je op kan.
Nee, zo zie ik het helemaal niet. Allereerst omdat ik dus helemaal geen behoefte heb aan een man die tegen me op kan. Het gedicht is zowel een grapje als geen grapje. Die jongen over wie de eerste strofe gaat stuurde mij de variaties van Kenneth Koch op Williams en ik dacht: ik ga daar weer een variatie op schrijven. Hij zei: ‘Begin maar met sorry zeggen voor het feit dat je lesbisch was terwijl wij iets hadden’. Daar hebben we toen heel hard om gelachen. Hij woont nu in België en ik zou een keer langs komen. We hadden het er over dat we dan friet zouden eten, ik vind friet altijd een ontroerend gegeven, en ik dacht: hoe kan ik dat in eenzelfde stijl gebruiken? Het werkt goed in het gedicht, dat extreme. Dat met die hond is ook wel gebaseerd op iets wat echt is gebeurd, maar ik heb het gegeven naar mijn hand gezet, extremer gemaakt. Kenneth Koch vergrootte situaties in zijn gedicht ook heel erg uit: ik geloof dat hij iemands huis kapot maakt en al het geld uitgeeft dat iemand gespaard heeft voor de komende tien jaar. Dan zegt hij: ‘Sorry!’. Maar mijn gedicht eindigt eigenlijk heel lief, vind je niet?
‘De wind die je zo hindert / en je haar door de war maakt, // dat is de wind die je haar verwart; / het is de wind waardoor je niet / meer gehinderd wilt worden / als je haar in de war is.’
Vind je dat mooi?
Ja. Van wie is het?
Het is van Faverey. Ik moest er aan denken toen ik bij jou las:
‘Wat die niet meer zei is / je bent een avond lang jong en mooi geweest // Toen ik mooi was, ben ik een avond lang jong en mooi geweest’
Faverey confronteert ons met taal; de ene uitspraak is niet de andere.
Dat is precies waar mijn paper over ging. Blanchot zegt dat als je iets in taal probeert te vatten, je niets zegt over de werkelijkheid. Het woord ‘kat’ is niet de kat in de vensterbank, wie ‘roos’ zegt houdt geen roos in handen. Soms moet je erkennen dat taal ontoereikend is, maar ik vind dat je de taal vervolgens toch maar moet gebruiken zoals we dat in het dagelijks leven doen, want we hebben geen andere manier.
Je schrijft: ‘de taal is vreemd wreed’. Heeft dat met Blanchot te maken?
In het geval van dit citaat uit het gedicht, waar verder staat: ‘zegt dingen als: wanneer je je / alleen voelt, kun je wachten tot je een ons weegt.’ is het een taalgrapje. Maar wat Blanchot betreft: je kunt de essentie van dingen niet in taal vatten, maar ik denk dat het ergens ook wel kan, omdat we elkaar begrijpen als we woorden gebruiken. Dat vind ik niet het wrede aan taal. Misschien vind ik het wrede aan taal juist dàt we elkaar begrijpen en dat je daar misbruik van kunt maken. Je kunt dingen uitvergroten en je kunt heel gemene dingen zeggen. Taal is een heel sterk middel. Je kunt een bepaald gevoel verwoorden op een manier die het gevoel erger maakt, ook voor degene tegen wie je het zegt. Taal kan hard aankomen.
=========
Van Lieke Marsman (*1990) verschenen gedichten in Tirade (inmiddels maakt zij deel uit van de redactie) en dat leidde tot uitgave van de bundel Wat ik mijzelf graag voorhoud, bekroond met de Van der Hoogt-prijs en de Liegend Konijn Debuutprijs en de Buddingh'-prijs. Zij is bezig met de afronding van haar studie filosofie in Amsterdam.
Ik zie dat je op de wand allemaal gedichten hebt voor de nieuwe bundel.
L.M.: ‘Dat klopt; dit is de eerste opzet. Ik hoop dat hij er het volgend jaar om deze tijd wel is.
Sinds ik hier woon schrijf ik heel veel, dat is heel fijn. De helft van alles wat daar hangt, heb ik de afgelopen twee maanden geschreven. Door allerlei oorzaken heb ik daarvoor heel weinig geschreven. Ik weet uit ervaring dat ik in de zomer wat meer schrijf, omdat ik meer tijd heb, waardoor ik ook de dingen die nog niet klaar waren, kan afschrijven. Toevallig deze week heb ik iets naar mijn redacteur opgestuurd.
Heb je al een titel?
Een soort werktitel. Bij de eerste bundel had ik als werktitel de definitieve titel. Toen de bundel af was, spraken we over de titel en ik deed enkele voorstellen. Ik dacht dat de uitgever Wat ik mijzelf graag voorhoud niet goed zou vinden, maar dat bleek wel het geval.
Er is een bekende regel van Remco Campert: ‘Ik bevestig dat ik leef / dat ik niet alleen leef.’ Is dat een reden om te schrijven?
Ik heb hier de laatste tijd veel over nagedacht omdat ik stukjes schrijf voor de Tirade-blog, elke week één. Ik schrijf vaak met iemand in mijn achterhoofd. Ik heb altijd wel een geliefde of iemand die ik bewonder, die in mijn achterhoofd met me meeleest. Dat werkt heel goed voor mij, want dan komt er een soort druk op. Ik moet me extra bewijzen, want ik wil dat diegene het heel goed vindt. Ik weet niet of ik bevestig dat ik leef met mijn schrijven, want ik vind leven en schrijven twee verschillende dingen. Leven is gewoon met vrienden zijn, of dronken worden, of weet ik wat, wat is leven. Maar ik voel de behoefte om wat ik schrijf te laten lezen aan anderen, en meer nog dan dat ik doe alsof in mijn hoofd. Als ik heimelijk verliefd ben, ga ik het gedicht dat ik met diegene in mijn hoofd schrijf natuurlijk niet op sturen aan diegene; zo veel trots heb ik dan ook weer. Hoewel. Eigenlijk doe ik dat wel: dat is een manier om diegene bij me te houden, en hoewel dat nogal geforceerd is, is schrijven in die zin een manier om niet alleen te zijn.
Je bent je bewust, blijkt uit je poëzie, van een soort existentiële eenzaamheid. Ik moest denken aan Anna Blaman, die een roman schreef over de liefde: Eenzaam avontuur. Zij zegt: ‘Juist in de liefde realiseer je je dat je alleen bent.’ Je kunt de ander raken, maar je kunt er nooit inkomen. Het is een huid op huid contact.
Ja, dat vind ik heel herkenbaar. Dat is een van de dingen waar een paper over Sartre en Blanchot dat ik onlangs voor mijn studie schreef over ging, al had dat wat meer betrekking op literatuur. Je hebt niet de intentie om samen te smelten met de ander, het gaat er om dat je de ander erkent als ander. Voor mij is liefde het ontmoeten van je geliefde, waarbij er alleen sprake kan zijn van resonantie. Liefde is individueel; je valt niet samen. De ander heeft geheimen waar je alleen maar naar kunt raden en dat is frustrerend, maar daar moet je je bij neerleggen. Misschien schrijf ik daarom zo veel de laatste tijd. Ik kan er slecht tegen dat je de hele tijd moet gissen naar wat er om gaat in andere mensen, dat je er bij neerleggen vind ik heel moeilijk. Mijn methode is dan altijd dat ik zo veel mogelijk van mezelf laat zien, misschien indirect, in een gedicht dat ik wel of niet opstuur: ik stel mezelf kwetsbaar op in de hoop dat de ander ook iets van zichzelf toont. Dat is dom en gevaarlijk, maar voor het schrijven werkt het wel goed.
Een uitspraak, die bij me opkwam toen ik je gedichten herlas is: ook een verloren liefde kan je gelukkig maken, omdat je jezelf geeft en in het geven kun je gelukkig zijn.
Natuurlijk kan een niet gerealiseerde liefde je heel erg ongelukkig maken, maar ik heb het optimisme of de hoop, dat ik denk, oké, ik ben hier erg ongelukkig mee geweest, maar het was wel liefde, dus het was het allemaal waard.
Ik zie vrienden om me heen die heel erg met de liefde worstelen en die vaak bang zijn voor liefde. Dat geldt voor mij niet, denk ik. Ik kan ook bang zijn als ik iemand leuk vind, maar ik laat die angst er geen invloed meer op hebben. Dat komt ook doordat ik heel erg bang ben geweest voor andere dingen. Dat was een existentiëlere angst, levensangst. Als je dat hebt ervaren en doorstaan, ben je voor liefde minder bang, denk ik. Ik dacht altijd: ik heb nog liever vijf gebroken harten op rij, dan dat ik dit weer moet voelen. Het delen van emotie kan me nu juist gelukkig maken, en ik geloof dat ik makkelijker en intenser liefde voel dan ooit tevoren. Omdat ik zo blij ben dat alles er nog is. Na zo’n periode van angst, komt wat je leest, of de muziek die je hoort, veel harder binnen. Maar daar word je ook creatiever van. Welke ik overigens niet wil cultiveren - ik ben tegen zwelgen in je gevoelens.
Je hebt na je eerste bundel een hele ontwikkeling doorgemaakt als dichter. Je hebt veel gelezen, dichters ontmoet. Hoe kijk je nu naar poëzie na deze drie jaar?
Mijn kijk op poëzie is vooral veranderd omdat ik zelf veranderd ben. Ik voel me heel anders dan toen mijn eerste bundel uitwam. Het ging dus een tijd niet zo goed met me, omdat ik zo bang was. Dat had niets met poëzie te maken. Sommigen dachten dat het te maken had met de aandacht voor de bundel, maar dat was niet zo. Ik schreef in die tijd weinig, gooide misschien zo nu en dan wat wanhopige gevoelens op papier, maar daar kon ik geen gedicht van maken. Ik las toen ook niet, dat ging niet - ik kon nog geen drie minuten stil zitten. Ik heb toen wel een verzameling aangelegd van gedichten over angst. Op een gegeven moment ging het beter en toen ben ik weer poëzie gaan lezen. En ben er met andere ogen naar kijken.
Ik was geen bang kind, maar als puber heb ik wel allerlei angsten gehad.Telefoonangst, sociale angsten. De afgelopen twee en een half jaar had ik last van angstaanvallen. Het is blijkbaar iets waar ik aanleg voor heb.
Had dat met de dood te maken?
Het was meer de angst om gek te worden; dan ben je er nog wel, maar alles is anders. Ik was niet bang voor een hartaanval of zo, maar om de controle te verliezen. Toen ik heel klein was, werd ik een keer onder narcose gebracht en toen had ik vreselijke nachtmerries. Ik werd huilend wakker, want je kunt er niet uit. Dat gevoel: er te zijn, maar niet meer weg te kunnen. Ik was bang voor een neerwaartse spiraal. Nu zijn mijn angsten gelukkig over, al heb ik soms een korte terugval. Ik heb daar heel erg hard voor moeten werken: gesprekken, pillen, me helemaal suf sporten. Angst is een hele andere emotie dan verdriet. Ze is eigenlijk een vorm van levenslust: je wil zo ontzettend graag dat het goed gaat, en daardoor slaan de stoppen door. Ik was zo bang om weer last te krijgen van de depressieve gevoelens die ik als tiener had. Toen ik veertien, vijftien was, voelde ik me heel eenzaam. Ik had wel vrienden op school, maar ik vond ze voortdurend teleurstellend. Ik dacht: als dit vriendschap is, dan hoeft het van mij niet.
Bij de nieuwe bundel ga je meer gebruik maken van je kennis van zaken van poëzie?
Ik hoop het, maar ik heb nog geen manier gevonden om dat concreet te maken voor mezelf. Ik merk nu dat als ik gedichten lees, voor Tirade bij voorbeeld, ik precies weet waar het niet goed zit, maar ik kan dat niet precies benoemen. Het heeft veel te maken met timing, dat voel je simpelweg aan. Ik moet ook proza beoordelen en ik merk dat oordelen over gedichten me gemakkelijker af gaat.
‘Ik zal zo hard zingen / dat er weer paarden kunnen verdrinken/ in het moeras aan mijn voeten.’
Het moeras heeft met de angst te maken.
In het gedicht is het zo dat er een sneeuwlandschap is en dat gaat ontdooien en het dooit omdat de ik-persoon zo veel van zichzelf toont dat er warmte komt. Zo smelt het moeras. Dat is enerzijds heel positief, maar dat heeft ook een keerzijde.
Esther Gerritsen heeft de neiging om de wereld te redden.
Reddingsfantasieën: die heb ik heel sterk. Vroeger was het echt de wereld die ik wilde redden. Ik wilde als kind een drankje verzinnen, dat iedereen beter zou maken. Ik had een eigen laboratorium met potjes, waarmee ik dat drankje brouwde en dan zag ik in mijn hoofd rijen dik mensen voor de deur, die een lepeltje kregen. Dat was om die mensen te helpen, maar ook opdat de mensen mij hierdoor heel aardig zouden vinden. Nu heb ik dat als ik op iemand verliefd ben: dan fantaseer ik dat diegene ziek wordt en dat ik dan heel lief kan zijn. Of iemand wordt bedreigd en ik ga haar redden.
Je bent in de supermarkt en je legt een pakje niet biologisch vlees op de band en je denkt: o, vinden ze dat misschien slecht van mij?
Ja, dat is heel stom, dat ik dat heb. Ik heb het idee dat andere mensen altijd meekijken. Als ik verliefd ben op iemand die vegetariër is, dan ga ik in mijn eigen huis minder vlees eten, ook al komt ze dat nooit te weten. Als ik met iemand aan het afspreken ben die van schilderen houdt, dan pak ik ’s avonds in bed mijn kunstboeken erbij. Dan voel ik me een beter, een leuker mens voor de wereld.
Wat betekent het woord ‘broer’ voor jou?
Ik heb geen broer, maar ik heb wel een hele goede vriend en ik voel me een beetje zijn zusje. We zijn eerst gewoon vrienden geworden, maar nu spreken we elkaar zo veel dat het voelt alsof we familie zijn. Ik noem hem ook mijn broer. Ik kan onaangekondigd bij hem langs komen, hij is er altijd. Mensen denken soms dat we geliefden zijn, maar dat is niet zo, want ik val op vrouwen. Mijn vriendschap met hem is geen gewone vriendschap, die je na een ruzie zou kunnen verliezen. Hij is me verwant en dat gaat niet over.
Zou je terug willen naar de kinderlijke hulpeloosheid of afhankelijkheid?
Nee, niet meer. Misschien soms, bij momenten lijkt het me nog wel prettig. Als ik heel erg in de put zit, wil ik wel weer bij mijn moeder op schoot, maar eigenlijk heb ik juist zin om ouder te worden. Als ik dertig ben, dan kan ik misschien met iets meer rust naar me zelf kijken. Ik kijk uit naar het moment dat ik zelf kinderen krijg. Het is niet zo dat ik dat voor nu al wil, maar later toch zeker wel. Dat lijkt me fantastisch. De afgelopen drie jaren waren mij een beetje te turbulent, intens. Dat was vaak ook heel geweldig, maar het mag wel wat rustiger worden.
Een van de laatste gedichten die je publiceerde was ‘Varaties op Variations on a Theme by William Carlos Williams’.
‘Ik had acht maanden een relatie met je, maar ik was al die tijd lesbisch.‘
Ha, dat is wel in overleg gegaan met de jongen over wie het gaat, hoor.
’Ik bleef in je buurt, want je beste vriendin was zo knap.’
Dat is niet waar, maar dat werkte voor het gedicht heel goed.
‘Toen we friet gingen eten heb ik mijn patatzak met de mayonaisekant / je gezicht in geduwd, daarna ben ik lachend het begijnhof uitgerend. / Ik voelde me uitstekend, maar voor jou was het anders, / en dat spijt me.’
Er zit een soort verlangen in naar iemand die jou de baas is. ‘Ik voelde me uitstekend’
Aan het slot ga je heel ver met die hond: ‘Ik liet mijn hond in je gezicht bijten en je bloedde als een rund. / Vergeef me. Je leek me zo lief en zo zacht die dag / en ik wilde alleen maar kijken of je dat echt was, zo lief / en zo zacht.’ De lezer zou kunnen denken: jij hebt behoefte aan een man die tegen je op kan.
Nee, zo zie ik het helemaal niet. Allereerst omdat ik dus helemaal geen behoefte heb aan een man die tegen me op kan. Het gedicht is zowel een grapje als geen grapje. Die jongen over wie de eerste strofe gaat stuurde mij de variaties van Kenneth Koch op Williams en ik dacht: ik ga daar weer een variatie op schrijven. Hij zei: ‘Begin maar met sorry zeggen voor het feit dat je lesbisch was terwijl wij iets hadden’. Daar hebben we toen heel hard om gelachen. Hij woont nu in België en ik zou een keer langs komen. We hadden het er over dat we dan friet zouden eten, ik vind friet altijd een ontroerend gegeven, en ik dacht: hoe kan ik dat in eenzelfde stijl gebruiken? Het werkt goed in het gedicht, dat extreme. Dat met die hond is ook wel gebaseerd op iets wat echt is gebeurd, maar ik heb het gegeven naar mijn hand gezet, extremer gemaakt. Kenneth Koch vergrootte situaties in zijn gedicht ook heel erg uit: ik geloof dat hij iemands huis kapot maakt en al het geld uitgeeft dat iemand gespaard heeft voor de komende tien jaar. Dan zegt hij: ‘Sorry!’. Maar mijn gedicht eindigt eigenlijk heel lief, vind je niet?
‘De wind die je zo hindert / en je haar door de war maakt, // dat is de wind die je haar verwart; / het is de wind waardoor je niet / meer gehinderd wilt worden / als je haar in de war is.’
Vind je dat mooi?
Ja. Van wie is het?
Het is van Faverey. Ik moest er aan denken toen ik bij jou las:
‘Wat die niet meer zei is / je bent een avond lang jong en mooi geweest // Toen ik mooi was, ben ik een avond lang jong en mooi geweest’
Faverey confronteert ons met taal; de ene uitspraak is niet de andere.
Dat is precies waar mijn paper over ging. Blanchot zegt dat als je iets in taal probeert te vatten, je niets zegt over de werkelijkheid. Het woord ‘kat’ is niet de kat in de vensterbank, wie ‘roos’ zegt houdt geen roos in handen. Soms moet je erkennen dat taal ontoereikend is, maar ik vind dat je de taal vervolgens toch maar moet gebruiken zoals we dat in het dagelijks leven doen, want we hebben geen andere manier.
Je schrijft: ‘de taal is vreemd wreed’. Heeft dat met Blanchot te maken?
In het geval van dit citaat uit het gedicht, waar verder staat: ‘zegt dingen als: wanneer je je / alleen voelt, kun je wachten tot je een ons weegt.’ is het een taalgrapje. Maar wat Blanchot betreft: je kunt de essentie van dingen niet in taal vatten, maar ik denk dat het ergens ook wel kan, omdat we elkaar begrijpen als we woorden gebruiken. Dat vind ik niet het wrede aan taal. Misschien vind ik het wrede aan taal juist dàt we elkaar begrijpen en dat je daar misbruik van kunt maken. Je kunt dingen uitvergroten en je kunt heel gemene dingen zeggen. Taal is een heel sterk middel. Je kunt een bepaald gevoel verwoorden op een manier die het gevoel erger maakt, ook voor degene tegen wie je het zegt. Taal kan hard aankomen.
=========
zaterdag 18 mei 2013
Florence Tonk Naakt en omfloerst
"Fiction is a lie, and good fiction is the truth inside a lie."(Stephen King)
Florence Tonk houdt niet van het in de wereld slingeren van biografische feiten. Waar zij is geboren doet er niet toe voor de lezer. Op de sociale media zal zij geen foto tonen van haar zoon. Aan de andere kant toont de ik in haar gedichten zich naakt in verdriet en geluk. Met ironische afstand probeert de dichteres intimiteiten in hun algemene menselijkheid te laten zien en ervaren.
Florence Tonk (1970) is dichter en freelance journalist. Ze studeerde Amerikanistiek in Nederland en de Verenigde Staten, waar zij onder meer verbonden was aan het tijdschrift Southern Exposure. Eerder verschenen haar gedichten in onder andere Awater, Bunker Hill, Hollands Maandblad en Liegend Konijn. In 2006 woonde zij in Kiev, waar zij research deed voor de roman Blijf bij ons. In datzelfde jaar debuteerde zij bij Nieuw Amsterdam met de dichtbundel Anders komen de wolven. Onlangs verscheen haar nieuwe bundel Rijgen.
=
Beheersbaar universum
Uit misverstanden misschien, zeker
uiteengerukte verbanden ontstaan
maak ik werk van telkens weer
structuur en samenhang zagen
uit taal, beheersbaar universum
maar hier mag ik los, mag alles
op de schop omdat ijlen, raaskallen,
vormverlies gelijk op kunnen gaan
met schaven, polijsten, reduceren en begraven
van lastige zaken en van mij
die via deze omweg tegen schaamte in
niets eist maar juist voorzichtig en
vooral omzichtig oprijst, vindt.
Wat dan? Ja, sorry: zin.
De eerste strofe gaat over de evolutie?
F.T.: Het is het ontstaan van de ik van het gedicht. Maar die extra lading vind ik wel leuk. Ik vind het prettig om structuur aan te brengen in mijn leven en in de taal.
Toen ik dit schreef, zat ik aan al mijn schrijven te denken. Ik werk in veel genres, ben ook tekstschrijver en journalist. Het heeft iets ultiem bevredigends voor mij om structuur aan te brengen in verhalen, alsof je structuur in het leven aanbrengt, terwijl het echte leven een janboel is. Taal is daarvoor het instrument. Met taal kun je de wereld benaderen; de wereld in je hoofd tot rust brengen. Poëzie is daar een goede vorm voor.
Is poëzie jouw hoogste doel? Je bent op de eerste plaats dichter. ‘Om haar ziel te redden soms ook een gedicht’ (p.40)
Misschien kan ik dat nog niet met zekerheid zeggen. Ik heb nog maar één roman gepubliceerd en ben met een nieuwe bezig, maar ik denk dat poëzie het belangrijkste is. Het dichten gaat altijd door. Voor een roman moet je echt gaan zitten. Poëzie valt me vaak in. Je loopt of fietst en in het ritme van de beweging kan een gedicht ontstaan. Ik reciteer dan de regels steeds opnieuw om ze te onthouden. Als ik thuis ben, pak ik snel mijn notitieboekje. Of als ik wakker word. Ik heb een boekje naast mijn bed. Soms denk ik wel eens: ach, ik onthoud het wel. Ik ben dan bang om te wakker te worden en niet meer in te slapen, maar meestal ben je de volgende ochtend die regel dan kwijt.
‘hier mag ik los’
Dat gaat over de vrijheid in poëzie. In literatuur is bijna alles geoorloofd. Door de structuur en de beheersing mag je juist alles zeggen. Ik heb helemaal geen zin om cliché-gegevens van me zelf prijs te geven, de wereld in te slingeren, maar op de een of andere manier kan poëzie wel heel persoonlijk zijn, juist omdat het een beheerste vorm is. Poëzie gaat over wat je voelt en denkt. Dat is bij iedere dichter zo. Er zijn wel gevaarlijker en minder gevaarlijke onderwerpen. Je kan ook gaan mijmeren bij een Etruskisch dakpannetje en daarin je eruditie tentoon spreiden; dat is vrij veilig.
Tonnus Oosterhoff noemde dat ‘fucken in Florence’.
Mooi! Je moet geen spelletjes spelen, dan loop je het risico te worden ontmaskerd of kun je geen andere mensen aanraken met je gedichten.
Heb je wel eens een gedicht wel geschreven en niet gepubliceerd?
Ja, bijna één uit deze bundel. Poëzie blijft toch ook fictie. Er zijn fictie-achtige ingrepen. Je kunt bepaalde zaken combineren, die niet gezamenlijk zijn gebeurd, waardoor het drama sterker naar voren komt. Het gedicht ‘Drogreden’ uit deze bundel was wel even gevoelig. Ik heb het daar met een vriend over gehad en gezegd dat het niet over hem echt ging, dat er fictie van was gemaakt en toen heb ik besloten om het toch op te nemen. Ik vond het absurdistische element te mooi om het niet op te nemen.
Schrap je veel als je schrijft?
Ja.
‘begraven’? Wegwerken?
Of je begraaft het in een gedicht.
‘tegen schaamte in’. Aan de ene kant schaamteloos, aan de andere kant bescherming van eigenheid.
Als er één ding is dat me het meeste hindert in mijn schrijversschap is het schaamte en toch lijkt het net of het schaamtevolle er af en toe toch uitbarst. Seks is bijvoorbeeld een thema van me, lijfelijkheid, heel fysieke dingen die mij fascineren. Dat kan heftig zijn. Soms val ik een tijdje stil vanwege de schaamte. Dan durf ik even niet meer.
‘voorzichtig en vooral omzichtig’
Omtrekkende bewegingen, behoedzaam.
‘sorry, zin’
Zin als zingeving. Het leven heeft zin.
Daarom zeg ik ook ‘sorry’, want het is zo bombastisch. Daar twijfelde ik heel erg over. De ironie is hier een excuus voor mijn bombast, maar ik was bang dat dit een zwaktebod was, voor een dichter.
Ik zei een keer tegen mijn vriend: ‘Gedichten redden mijn ziel.’ Ik bedoelde daarmee: mijn leven heeft zin, de dagelijkse worsteling heeft zin dankzij poëzie. Als ik een gedicht heb geschreven of gelezen voel ik zo nu en dan de zin van de dingen. Een geslaagd gedicht is waarachtig. Dichten is wat ik het liefste doe. Omdat het zo eerlijk is. Heel veel werkdingen zijn minder eerlijk. Je moet concessies doen. Dat hoeft in poëzie niet. Alleen aan je eigen eisen moet je beantwoorden.
Ben je al heel jong geraakt door de poëzie?
Ja. Ik kreeg van mijn ouders alle boeken met gedichten van Annie Schmidt. Mijn vader las Vrij Nederland waarin ik De Blauw Geruite Kiel las, met veel kinderpoëzie zoals die van Willem Wilmink. En Remco Ekkers! Ik was leesgierig en ik hield erg van zingen. Mijn moeder zong veel met mij en mijn vader draaide de hele dag klassieke muziek. Ik denk wel dat dat invloed heeft gehad.
Je bent Amerikanistiek gaan studeren.
Ik was erg gecharmeerd van de Amerikaanse literatuur. Ik ben dat nog steeds. Nathaniel Hawthorne. Eigenlijk moet ik zeggen Angelsaksische literatuur want ook Britse en Canadese schrijvers vond ik al vroeg fantastisch. Michael Ondaatje, Raymond Carver, Alice Munro, Hillary Mantel. Ik las als middelbare scholier veel negentiende eeuwse romans. Engels was mijn beste vak. In Amerika zat ik in een promotie-traject, maar het was daar heel eenzaam. Ik woonde in Iowa-City. Ik heb aan Amerikaanse universiteiten wel heel veel geleerd; in twee jaar meer dan in vele jaren in Nederland.
=
Schoon
Ik heb zojuist de laatste resten wit
van het raamkozijn gekrast
past dit leven mij zo fijn en stijlvol dat
ik het zicht naar buiten liever zwart
wilde omlijsten?
We wonen in een aquarium
op een hoek van de weg
er moet gekookt, spullen gehaald
hoe dit betaald wordt geen geheim
maar wel een zorg voor later
liefst woonde ik onder een deken met Babel
hoefde ik niet te eten en taalde ik
niet naar een ander lichaam
maar er zit aardeb in mijn hoofd
dus schrob ik, schraap ik bij elkaar en schoon
en schik me en blijf dwalen.
=
Het gedicht ‘Schoon’. Heb je een voorkeur voor de kleur zwart? Je maakt wit zwart. Het raam wordt een lijst.
Ja. Dat is ook wat ik met poëzie doe.
‘Liefst woonde ik onder een deken met Babel’: liefde voor taal?
Dat gaat over Isaac Babel. Het is genoeg om onder een deken te wonen met een goed boek.
Je houdt niet van geregel en gedoe: eten kopen en koken etc.
In mij zitten twee mensen. Ik ben aards; ik hou van koken en van in de tuin werken, maar ik hou ook erg van lezen en soms gaat dat niet samen.
Je vindt geur heel belangrijk: de baby ruikt lekker. Mannen hebben allerlei voorkomens, maar de geur moet goed zijn.
Ik heb een scherpe neus. Geur is belangrijk. In de roman was dat ook zo.
‘en ik taalde niet naar een ander lichaam’. Weer het werkwoord ‘talen’.
Dat is ook een verwijzing naar ‘taal’. Ik vind het een mooi werkwoord. Ergens om geven, maar dan dubbelzinniger vanwege die associatie met taal. En toch heeft taal ook met verbinden te maken.
‘een ander lichaam’: een andere man?
Een baby. Dit gedicht komt uit de periode dat er nog geen baby was. De bundel is niet geheel chronologisch opgebouwd. Sommige gedichten zijn wel chronologisch geplaatst omdat ze dan beter te begrijpen zijn. Met de compositie van de bundel ben ik heel erg bezig geweest. Gedichten neerleggen op de grond en kijken wat de volgorde moet zijn. Het gedicht ‘Schoon’ vond ik geschikt als laatste in de bundel. Het eerste gedicht ‘Beestjes van glas’ is een soort proloog, vooruitkijken op wat er later in de bundel gaat komen. ‘het beestje dat ik baarde’; dat onderwerp komt pas halverwege de bundel terug.
Bij de laatste strofe van ‘Schoon’ heb je bewust geallitereerd.
Zo’n regel ontstaat vrij spontaan. Op wat ik wilde zeggen passen de woorden heel goed in die vorm. Het werkt ritmisch ook lekker. De klanken werken daarin mee. De woorden schuren ook in hun klank: schrobben, schrapen. Daarna ‘schikken’; dat is en klinkt milder. Daar ontbreekt de r.
=
Vluchtgedrag
Uren zijn we onderweg
met het orakel:
van bedevaart tot eksteroog
familiezaken, alles
kan het vinden en verklaren
(...)
=
‘Vluchtgedrag’ gaat over internetgebruik. Ik begreep aanvankelijk het woord ‘orakel’ niet, tot ik zag dat het niet over Delphi, maar over Google ging.
Verderop een tamelijk sombere levensvisie: we komen uit de chaos voort en misschien gaan we naar de sodemieter.
Het gaat onder meer over hijgerig gedrag. Mijn generatie die voortdurend op zoek is op het internet. Het gevoel achter de feiten aan te lopen; wat moet ik er van vinden? We hebben te weinig tijd voor alle informatie. En dan is er ook nog zoveel ‘ruis’ met name op sociale media, waar ik overigens zelf ook op zit en waar ik een tweeslachtige gevoel over heb. Foto’s op Facebook: kijk ons eens gelukkig zijn. ‘snedigs’ gaat over Twitter. Een energie die dat kost, dat snedig zijn in 140 tekens! Dan schrijf ik liever een gedicht. Ook kan ik me verbazen over de totale onzin die mensen willen delen: ‘een vraagteken gescheten’. Ik zag eens overlijdensbericht van iemands vader op Facebook. Moet je dan op de knop ‘vind ik leuk’ drukken? Er zijn mensen die dat doen. Bizar. Waarom schrijf je dan niet even een regel?
‘Grauw kussen is armoe’. De vrije seks van vroeger?
Veel gedichten in de bundel gaan over seks en baby’s. Ze zijn geschreven in de periode van rouw om het verlies van een aantal zwangerschappen. In die tijd leek het alsof ik ook aan het afscheid nemen was van mijn jeugd. Af en toe dacht ik terug aan de wildere tijden. De recensies van de bundel tot nu toe bespreken vooral de kinderwens. Seksualiteit en kinderen krijgen liggen evenwel in elkaars verlengde. Een bundel van een aanstaande of kersverse moeder die af en toe aan seks denkt, dat is misschien wel heftig. Toch is het dat.
In dit gedicht zit veel ironie rond de mannen. In ‘Grauw kussen is armoe’ keek ik terug naar de wijze waarop sommige mannen proberen je het hof te maken en de idiote standaarden die je daarbij zelf kan hanteren: ik wil wel kussen want hij praat zo mooi. Ook al is hij grauw.
Het slot is een eerbetoon aan mijn zoon en mijn partner.
Nog eens: ‘Om haar ziel te redden soms ook een gedicht.’
Zonder poëzie zou ik ongelukkig zijn.
Iemand schreef dat hij wel veel van je biografie moest weten om de gedichten onder de titel ‘De langverwachte’ te begrijpen, maar ik dacht: het staat er toch allemaal!
Misschien heeft hij geen kinderen? De grijpreflexen onder andere zijn toch duidelijk. Zo mooi is dat. Mijn kind heeft grote handen, met een kracht! Die levensdrift! ‘Ah, dit heb ik nodig!’ Ik was veertig toen hij werd geboren, dat is een leeftijd waarop je aan de dood gaat denken, tenminste ik wel. Ik weet nog dat we op zijn eerste verjaardag ‘lang zal hij leven’ zongen en dat ik toen voor het eerst echt begreep wat dat lied betekent. Dat begrijp je pas als ouder misschien. Daarvoor is het een riedeltje, een soort behang.
Over die recensent: soms kun je verkeerd beginnen te lezen en dan raak je geïrriteerd en wordt het steeds erger. Of het is smaakverschil. Irritatie is niet bevorderlijk voor welwilendheid om een gedicht te begrijpen, dat ken ik zelf ook.
Vind je het moeilijk als er recensies komen?
Ik had de mooie recensie van Guus Middag al gehad, dus het gleed van me af. Hij haalde er precies die dingen uit, waardoor ik dacht: ja, zo heb ik het bedoeld!
Behalve dan die ene zin over dat dichten wellicht overbodig zou worden met het vervulde moederschap. Grote, ouderwetse onzin.
‘Zwakheden‘ gaat over seksualiteit. Een ervaring met een oudere man.
Dat lees ik er hemelmaal niet in. Die triptiek is geschreven op basis van dromen over verschillende mannen. Van die dromen waarvan je de volgende dag een beetje in de war kunt zijn. Waar kwam dat opeens vandaan? Dat mag helemaal niet! Je wordt in je slaap verrast.
Erotische fantasieën: ‘Om weer eens lijzig, half te hangen / uit een zolderkamer in een clandestiene stad / zonder iets aan / en hij die in het duister van de kamer / zijn broek uit schopt.’
Maar het is het een droom: ‘Zo goed en kwaad blijf ik nu / zuiver op de graat.
Heb je bij de titel ook aan het toneelstuk van Schnitzler gedacht?
Ja, natuurlijk. Daar ben ik een groot fan van. Ik vond het gegeven zo mooi; dat springen van de een naar de ander, het rijgen van verhalen en levens. Twee verschillende dichters vertelden me na verschijning van ‘Rijgen’ dat ze al al jaren iets met die titel van Schnitzler wilden doen. Bij Schnitzler is het uiteraard een metafoor voor seks. Maar in mijn titelgedicht is de betekenis veel breder. In de NRC stond: ‘Het lange titelgedicht ‘Rijgen’ is een portret van deze generatie – zo druk met het aaneen- rijgen van de dagen dat er geen tijd meer over is.’ Dat was goed gelezen. De titel paste ook bij het idee om generaties aan elkaar te rijgen, met de gedichten over mijn ouders en kind.
Het is mij opgevallen dat jouw generatie het vaak over generaties heeft. Ik heb het daar nooit over. In ‘Wij en zij’ heb je het over ouders: ‘Zij gingen het anders doen maar het lukte niet’.
Ze ‘raakten hun goden kwijt waar wij bij waren / lieten ons te veel tijd en rijkdom’.
En ‘vertaalden de oorlog in kleine verwijten’. Het gaat helemaal over ouders en die van mijn generatie, al staat dat woord er niet in.
Eind jaren tachtig kwam de term ‘generatie x’ in zwang. Sindsdien komt er iedere tien jaar een nieuwe generatie bij: generatie y en de generatie nix. Het idee van het postmodernisme dat in mijn studietijd enorm leefde, speelde een belangrijke rol. Er is geen waarheid, geen groot verhaal, alleen kleine verhalen. Je kunt de wereld niet veranderen.
Je hebt daar een antwoord op. De zingeving ligt in het schrijven? Of een kind opvoeden?
Het heeft met creëren te maken. Iets maken. Rond mijn vijf- zesentwintigste of eigenlijk eerder toen ik sociologie ging studeren om het verlangen naar verklaring en duiding te stillen. Ik stopte er mee na een vak wetenschapsfilosofie, omdat me duidelijk werd dat alles toch twijfelachtig bleef. Waarom zou ik dan niet een vak studeren waar mijn hart lag, namelijk Amerikaanse geschiedenis en letterkunde? Ik kwam net uit het no nonsense tijdperk van de jaren tachtig waarin iedereen communicatiewetenschappen ging doen of een zakelijke studie om een baan te vinden. Ik dacht toen: de enige waarheid die er is, ligt in de kunst. Voor mij is dat de literatuur.
Door welke Nederlandse dichters word je geïnspireerd?
Menno Wigman vind ik heel goed. En Ter Balkt. Ik voel me verwant met het zingende en het aardse. Kouwenaar vind ik ook prachtig en Neeltje Maria Min. Van de ouderen natuurlijk Harmsen van der Beek, Vasalis, Nijhoff.
In het gedicht ‘Voor moeder’ geeft de ik iets prijs over afkomst. De moeder woonde bij de stuwwal; er is sprake van uiterwaarden en er was niets te eten behalve aan de overkant. Dat moet bij Arnhem zijn. De vader woonde daar ook. Het behoort tot de prozagedichten uit de bundel: honderd woorden.
Ik zat met die vorm te spelen en toen dacht ik: het zijn mooie afbakeningsgedichten in de bundel om groepjes gedichten te scheiden.
Ik overweeg nu om een aparte bundel te maken met prozagedichten. Het blijft poëzie vanwege de geheimzinnigheid en ondanks de prozavorm zijn ze toch heel ritmisch. Er zit binnenrijm in. Het is veel meer verdicht dan normaal proza.
Ik hou er van als er iets schrijnt in een gedicht. Dit gedicht lijkt een verhaaltje. Het is overdreven. Je neemt een oudere moeder mee op een nostalgisch tripje en dan steelt ze wat. Dat is erg ontregelend maar vervolgens kun je haar gewoon wegbrengen. Er moet een angel in; dan is het gedicht geslaagd.
Optreden vind ik mooi. Het is prettig om voor te lezen; het ritme en de klank te horen en de reacties van het publiek te zien en te beluisteren. Dat is geweldig, als je zelf ziet of hoort dat het mensen raakt.
==
Florence Tonk houdt niet van het in de wereld slingeren van biografische feiten. Waar zij is geboren doet er niet toe voor de lezer. Op de sociale media zal zij geen foto tonen van haar zoon. Aan de andere kant toont de ik in haar gedichten zich naakt in verdriet en geluk. Met ironische afstand probeert de dichteres intimiteiten in hun algemene menselijkheid te laten zien en ervaren.
Florence Tonk (1970) is dichter en freelance journalist. Ze studeerde Amerikanistiek in Nederland en de Verenigde Staten, waar zij onder meer verbonden was aan het tijdschrift Southern Exposure. Eerder verschenen haar gedichten in onder andere Awater, Bunker Hill, Hollands Maandblad en Liegend Konijn. In 2006 woonde zij in Kiev, waar zij research deed voor de roman Blijf bij ons. In datzelfde jaar debuteerde zij bij Nieuw Amsterdam met de dichtbundel Anders komen de wolven. Onlangs verscheen haar nieuwe bundel Rijgen.
=
Beheersbaar universum
Uit misverstanden misschien, zeker
uiteengerukte verbanden ontstaan
maak ik werk van telkens weer
structuur en samenhang zagen
uit taal, beheersbaar universum
maar hier mag ik los, mag alles
op de schop omdat ijlen, raaskallen,
vormverlies gelijk op kunnen gaan
met schaven, polijsten, reduceren en begraven
van lastige zaken en van mij
die via deze omweg tegen schaamte in
niets eist maar juist voorzichtig en
vooral omzichtig oprijst, vindt.
Wat dan? Ja, sorry: zin.
De eerste strofe gaat over de evolutie?
F.T.: Het is het ontstaan van de ik van het gedicht. Maar die extra lading vind ik wel leuk. Ik vind het prettig om structuur aan te brengen in mijn leven en in de taal.
Toen ik dit schreef, zat ik aan al mijn schrijven te denken. Ik werk in veel genres, ben ook tekstschrijver en journalist. Het heeft iets ultiem bevredigends voor mij om structuur aan te brengen in verhalen, alsof je structuur in het leven aanbrengt, terwijl het echte leven een janboel is. Taal is daarvoor het instrument. Met taal kun je de wereld benaderen; de wereld in je hoofd tot rust brengen. Poëzie is daar een goede vorm voor.
Is poëzie jouw hoogste doel? Je bent op de eerste plaats dichter. ‘Om haar ziel te redden soms ook een gedicht’ (p.40)
Misschien kan ik dat nog niet met zekerheid zeggen. Ik heb nog maar één roman gepubliceerd en ben met een nieuwe bezig, maar ik denk dat poëzie het belangrijkste is. Het dichten gaat altijd door. Voor een roman moet je echt gaan zitten. Poëzie valt me vaak in. Je loopt of fietst en in het ritme van de beweging kan een gedicht ontstaan. Ik reciteer dan de regels steeds opnieuw om ze te onthouden. Als ik thuis ben, pak ik snel mijn notitieboekje. Of als ik wakker word. Ik heb een boekje naast mijn bed. Soms denk ik wel eens: ach, ik onthoud het wel. Ik ben dan bang om te wakker te worden en niet meer in te slapen, maar meestal ben je de volgende ochtend die regel dan kwijt.
‘hier mag ik los’
Dat gaat over de vrijheid in poëzie. In literatuur is bijna alles geoorloofd. Door de structuur en de beheersing mag je juist alles zeggen. Ik heb helemaal geen zin om cliché-gegevens van me zelf prijs te geven, de wereld in te slingeren, maar op de een of andere manier kan poëzie wel heel persoonlijk zijn, juist omdat het een beheerste vorm is. Poëzie gaat over wat je voelt en denkt. Dat is bij iedere dichter zo. Er zijn wel gevaarlijker en minder gevaarlijke onderwerpen. Je kan ook gaan mijmeren bij een Etruskisch dakpannetje en daarin je eruditie tentoon spreiden; dat is vrij veilig.
Tonnus Oosterhoff noemde dat ‘fucken in Florence’.
Mooi! Je moet geen spelletjes spelen, dan loop je het risico te worden ontmaskerd of kun je geen andere mensen aanraken met je gedichten.
Heb je wel eens een gedicht wel geschreven en niet gepubliceerd?
Ja, bijna één uit deze bundel. Poëzie blijft toch ook fictie. Er zijn fictie-achtige ingrepen. Je kunt bepaalde zaken combineren, die niet gezamenlijk zijn gebeurd, waardoor het drama sterker naar voren komt. Het gedicht ‘Drogreden’ uit deze bundel was wel even gevoelig. Ik heb het daar met een vriend over gehad en gezegd dat het niet over hem echt ging, dat er fictie van was gemaakt en toen heb ik besloten om het toch op te nemen. Ik vond het absurdistische element te mooi om het niet op te nemen.
Schrap je veel als je schrijft?
Ja.
‘begraven’? Wegwerken?
Of je begraaft het in een gedicht.
‘tegen schaamte in’. Aan de ene kant schaamteloos, aan de andere kant bescherming van eigenheid.
Als er één ding is dat me het meeste hindert in mijn schrijversschap is het schaamte en toch lijkt het net of het schaamtevolle er af en toe toch uitbarst. Seks is bijvoorbeeld een thema van me, lijfelijkheid, heel fysieke dingen die mij fascineren. Dat kan heftig zijn. Soms val ik een tijdje stil vanwege de schaamte. Dan durf ik even niet meer.
‘voorzichtig en vooral omzichtig’
Omtrekkende bewegingen, behoedzaam.
‘sorry, zin’
Zin als zingeving. Het leven heeft zin.
Daarom zeg ik ook ‘sorry’, want het is zo bombastisch. Daar twijfelde ik heel erg over. De ironie is hier een excuus voor mijn bombast, maar ik was bang dat dit een zwaktebod was, voor een dichter.
Ik zei een keer tegen mijn vriend: ‘Gedichten redden mijn ziel.’ Ik bedoelde daarmee: mijn leven heeft zin, de dagelijkse worsteling heeft zin dankzij poëzie. Als ik een gedicht heb geschreven of gelezen voel ik zo nu en dan de zin van de dingen. Een geslaagd gedicht is waarachtig. Dichten is wat ik het liefste doe. Omdat het zo eerlijk is. Heel veel werkdingen zijn minder eerlijk. Je moet concessies doen. Dat hoeft in poëzie niet. Alleen aan je eigen eisen moet je beantwoorden.
Ben je al heel jong geraakt door de poëzie?
Ja. Ik kreeg van mijn ouders alle boeken met gedichten van Annie Schmidt. Mijn vader las Vrij Nederland waarin ik De Blauw Geruite Kiel las, met veel kinderpoëzie zoals die van Willem Wilmink. En Remco Ekkers! Ik was leesgierig en ik hield erg van zingen. Mijn moeder zong veel met mij en mijn vader draaide de hele dag klassieke muziek. Ik denk wel dat dat invloed heeft gehad.
Je bent Amerikanistiek gaan studeren.
Ik was erg gecharmeerd van de Amerikaanse literatuur. Ik ben dat nog steeds. Nathaniel Hawthorne. Eigenlijk moet ik zeggen Angelsaksische literatuur want ook Britse en Canadese schrijvers vond ik al vroeg fantastisch. Michael Ondaatje, Raymond Carver, Alice Munro, Hillary Mantel. Ik las als middelbare scholier veel negentiende eeuwse romans. Engels was mijn beste vak. In Amerika zat ik in een promotie-traject, maar het was daar heel eenzaam. Ik woonde in Iowa-City. Ik heb aan Amerikaanse universiteiten wel heel veel geleerd; in twee jaar meer dan in vele jaren in Nederland.
=
Schoon
Ik heb zojuist de laatste resten wit
van het raamkozijn gekrast
past dit leven mij zo fijn en stijlvol dat
ik het zicht naar buiten liever zwart
wilde omlijsten?
We wonen in een aquarium
op een hoek van de weg
er moet gekookt, spullen gehaald
hoe dit betaald wordt geen geheim
maar wel een zorg voor later
liefst woonde ik onder een deken met Babel
hoefde ik niet te eten en taalde ik
niet naar een ander lichaam
maar er zit aardeb in mijn hoofd
dus schrob ik, schraap ik bij elkaar en schoon
en schik me en blijf dwalen.
=
Het gedicht ‘Schoon’. Heb je een voorkeur voor de kleur zwart? Je maakt wit zwart. Het raam wordt een lijst.
Ja. Dat is ook wat ik met poëzie doe.
‘Liefst woonde ik onder een deken met Babel’: liefde voor taal?
Dat gaat over Isaac Babel. Het is genoeg om onder een deken te wonen met een goed boek.
Je houdt niet van geregel en gedoe: eten kopen en koken etc.
In mij zitten twee mensen. Ik ben aards; ik hou van koken en van in de tuin werken, maar ik hou ook erg van lezen en soms gaat dat niet samen.
Je vindt geur heel belangrijk: de baby ruikt lekker. Mannen hebben allerlei voorkomens, maar de geur moet goed zijn.
Ik heb een scherpe neus. Geur is belangrijk. In de roman was dat ook zo.
‘en ik taalde niet naar een ander lichaam’. Weer het werkwoord ‘talen’.
Dat is ook een verwijzing naar ‘taal’. Ik vind het een mooi werkwoord. Ergens om geven, maar dan dubbelzinniger vanwege die associatie met taal. En toch heeft taal ook met verbinden te maken.
‘een ander lichaam’: een andere man?
Een baby. Dit gedicht komt uit de periode dat er nog geen baby was. De bundel is niet geheel chronologisch opgebouwd. Sommige gedichten zijn wel chronologisch geplaatst omdat ze dan beter te begrijpen zijn. Met de compositie van de bundel ben ik heel erg bezig geweest. Gedichten neerleggen op de grond en kijken wat de volgorde moet zijn. Het gedicht ‘Schoon’ vond ik geschikt als laatste in de bundel. Het eerste gedicht ‘Beestjes van glas’ is een soort proloog, vooruitkijken op wat er later in de bundel gaat komen. ‘het beestje dat ik baarde’; dat onderwerp komt pas halverwege de bundel terug.
Bij de laatste strofe van ‘Schoon’ heb je bewust geallitereerd.
Zo’n regel ontstaat vrij spontaan. Op wat ik wilde zeggen passen de woorden heel goed in die vorm. Het werkt ritmisch ook lekker. De klanken werken daarin mee. De woorden schuren ook in hun klank: schrobben, schrapen. Daarna ‘schikken’; dat is en klinkt milder. Daar ontbreekt de r.
=
Vluchtgedrag
Uren zijn we onderweg
met het orakel:
van bedevaart tot eksteroog
familiezaken, alles
kan het vinden en verklaren
(...)
=
‘Vluchtgedrag’ gaat over internetgebruik. Ik begreep aanvankelijk het woord ‘orakel’ niet, tot ik zag dat het niet over Delphi, maar over Google ging.
Verderop een tamelijk sombere levensvisie: we komen uit de chaos voort en misschien gaan we naar de sodemieter.
Het gaat onder meer over hijgerig gedrag. Mijn generatie die voortdurend op zoek is op het internet. Het gevoel achter de feiten aan te lopen; wat moet ik er van vinden? We hebben te weinig tijd voor alle informatie. En dan is er ook nog zoveel ‘ruis’ met name op sociale media, waar ik overigens zelf ook op zit en waar ik een tweeslachtige gevoel over heb. Foto’s op Facebook: kijk ons eens gelukkig zijn. ‘snedigs’ gaat over Twitter. Een energie die dat kost, dat snedig zijn in 140 tekens! Dan schrijf ik liever een gedicht. Ook kan ik me verbazen over de totale onzin die mensen willen delen: ‘een vraagteken gescheten’. Ik zag eens overlijdensbericht van iemands vader op Facebook. Moet je dan op de knop ‘vind ik leuk’ drukken? Er zijn mensen die dat doen. Bizar. Waarom schrijf je dan niet even een regel?
‘Grauw kussen is armoe’. De vrije seks van vroeger?
Veel gedichten in de bundel gaan over seks en baby’s. Ze zijn geschreven in de periode van rouw om het verlies van een aantal zwangerschappen. In die tijd leek het alsof ik ook aan het afscheid nemen was van mijn jeugd. Af en toe dacht ik terug aan de wildere tijden. De recensies van de bundel tot nu toe bespreken vooral de kinderwens. Seksualiteit en kinderen krijgen liggen evenwel in elkaars verlengde. Een bundel van een aanstaande of kersverse moeder die af en toe aan seks denkt, dat is misschien wel heftig. Toch is het dat.
In dit gedicht zit veel ironie rond de mannen. In ‘Grauw kussen is armoe’ keek ik terug naar de wijze waarop sommige mannen proberen je het hof te maken en de idiote standaarden die je daarbij zelf kan hanteren: ik wil wel kussen want hij praat zo mooi. Ook al is hij grauw.
Het slot is een eerbetoon aan mijn zoon en mijn partner.
Nog eens: ‘Om haar ziel te redden soms ook een gedicht.’
Zonder poëzie zou ik ongelukkig zijn.
Iemand schreef dat hij wel veel van je biografie moest weten om de gedichten onder de titel ‘De langverwachte’ te begrijpen, maar ik dacht: het staat er toch allemaal!
Misschien heeft hij geen kinderen? De grijpreflexen onder andere zijn toch duidelijk. Zo mooi is dat. Mijn kind heeft grote handen, met een kracht! Die levensdrift! ‘Ah, dit heb ik nodig!’ Ik was veertig toen hij werd geboren, dat is een leeftijd waarop je aan de dood gaat denken, tenminste ik wel. Ik weet nog dat we op zijn eerste verjaardag ‘lang zal hij leven’ zongen en dat ik toen voor het eerst echt begreep wat dat lied betekent. Dat begrijp je pas als ouder misschien. Daarvoor is het een riedeltje, een soort behang.
Over die recensent: soms kun je verkeerd beginnen te lezen en dan raak je geïrriteerd en wordt het steeds erger. Of het is smaakverschil. Irritatie is niet bevorderlijk voor welwilendheid om een gedicht te begrijpen, dat ken ik zelf ook.
Vind je het moeilijk als er recensies komen?
Ik had de mooie recensie van Guus Middag al gehad, dus het gleed van me af. Hij haalde er precies die dingen uit, waardoor ik dacht: ja, zo heb ik het bedoeld!
Behalve dan die ene zin over dat dichten wellicht overbodig zou worden met het vervulde moederschap. Grote, ouderwetse onzin.
‘Zwakheden‘ gaat over seksualiteit. Een ervaring met een oudere man.
Dat lees ik er hemelmaal niet in. Die triptiek is geschreven op basis van dromen over verschillende mannen. Van die dromen waarvan je de volgende dag een beetje in de war kunt zijn. Waar kwam dat opeens vandaan? Dat mag helemaal niet! Je wordt in je slaap verrast.
Erotische fantasieën: ‘Om weer eens lijzig, half te hangen / uit een zolderkamer in een clandestiene stad / zonder iets aan / en hij die in het duister van de kamer / zijn broek uit schopt.’
Maar het is het een droom: ‘Zo goed en kwaad blijf ik nu / zuiver op de graat.
Heb je bij de titel ook aan het toneelstuk van Schnitzler gedacht?
Ja, natuurlijk. Daar ben ik een groot fan van. Ik vond het gegeven zo mooi; dat springen van de een naar de ander, het rijgen van verhalen en levens. Twee verschillende dichters vertelden me na verschijning van ‘Rijgen’ dat ze al al jaren iets met die titel van Schnitzler wilden doen. Bij Schnitzler is het uiteraard een metafoor voor seks. Maar in mijn titelgedicht is de betekenis veel breder. In de NRC stond: ‘Het lange titelgedicht ‘Rijgen’ is een portret van deze generatie – zo druk met het aaneen- rijgen van de dagen dat er geen tijd meer over is.’ Dat was goed gelezen. De titel paste ook bij het idee om generaties aan elkaar te rijgen, met de gedichten over mijn ouders en kind.
Het is mij opgevallen dat jouw generatie het vaak over generaties heeft. Ik heb het daar nooit over. In ‘Wij en zij’ heb je het over ouders: ‘Zij gingen het anders doen maar het lukte niet’.
Ze ‘raakten hun goden kwijt waar wij bij waren / lieten ons te veel tijd en rijkdom’.
En ‘vertaalden de oorlog in kleine verwijten’. Het gaat helemaal over ouders en die van mijn generatie, al staat dat woord er niet in.
Eind jaren tachtig kwam de term ‘generatie x’ in zwang. Sindsdien komt er iedere tien jaar een nieuwe generatie bij: generatie y en de generatie nix. Het idee van het postmodernisme dat in mijn studietijd enorm leefde, speelde een belangrijke rol. Er is geen waarheid, geen groot verhaal, alleen kleine verhalen. Je kunt de wereld niet veranderen.
Je hebt daar een antwoord op. De zingeving ligt in het schrijven? Of een kind opvoeden?
Het heeft met creëren te maken. Iets maken. Rond mijn vijf- zesentwintigste of eigenlijk eerder toen ik sociologie ging studeren om het verlangen naar verklaring en duiding te stillen. Ik stopte er mee na een vak wetenschapsfilosofie, omdat me duidelijk werd dat alles toch twijfelachtig bleef. Waarom zou ik dan niet een vak studeren waar mijn hart lag, namelijk Amerikaanse geschiedenis en letterkunde? Ik kwam net uit het no nonsense tijdperk van de jaren tachtig waarin iedereen communicatiewetenschappen ging doen of een zakelijke studie om een baan te vinden. Ik dacht toen: de enige waarheid die er is, ligt in de kunst. Voor mij is dat de literatuur.
Door welke Nederlandse dichters word je geïnspireerd?
Menno Wigman vind ik heel goed. En Ter Balkt. Ik voel me verwant met het zingende en het aardse. Kouwenaar vind ik ook prachtig en Neeltje Maria Min. Van de ouderen natuurlijk Harmsen van der Beek, Vasalis, Nijhoff.
In het gedicht ‘Voor moeder’ geeft de ik iets prijs over afkomst. De moeder woonde bij de stuwwal; er is sprake van uiterwaarden en er was niets te eten behalve aan de overkant. Dat moet bij Arnhem zijn. De vader woonde daar ook. Het behoort tot de prozagedichten uit de bundel: honderd woorden.
Ik zat met die vorm te spelen en toen dacht ik: het zijn mooie afbakeningsgedichten in de bundel om groepjes gedichten te scheiden.
Ik overweeg nu om een aparte bundel te maken met prozagedichten. Het blijft poëzie vanwege de geheimzinnigheid en ondanks de prozavorm zijn ze toch heel ritmisch. Er zit binnenrijm in. Het is veel meer verdicht dan normaal proza.
Ik hou er van als er iets schrijnt in een gedicht. Dit gedicht lijkt een verhaaltje. Het is overdreven. Je neemt een oudere moeder mee op een nostalgisch tripje en dan steelt ze wat. Dat is erg ontregelend maar vervolgens kun je haar gewoon wegbrengen. Er moet een angel in; dan is het gedicht geslaagd.
Optreden vind ik mooi. Het is prettig om voor te lezen; het ritme en de klank te horen en de reacties van het publiek te zien en te beluisteren. Dat is geweldig, als je zelf ziet of hoort dat het mensen raakt.
==
vrijdag 25 januari 2013
Ester Naomi Perquin: Nachtkastjesgeur
Nachtkastjesgeur
Ester Naomi Perquin (Utrecht 1980) groeide op in Zierikzee en woont in Rotterdam. In 2006 studeerde ze af aan de Amsterdamse Schrijversvakschool met als hoofdrichting poëzie. Ze was gevangenbewaarder om haar studie te bekostigen.
Perquin is sinds 2008 redacteur van Tirade. Ze schrijft columns voor de Groene Amsterdammer en radioverhalen voor VPRO's De Avonden. Op Gedichtendag 2011 werd ze benoemd tot Stadsdichter van Rotterdam.
In het voorjaar van 2007 debuteerde ze met de dichtbundel Servetten halfstok (2007) (Debuutprijs van het tijdschrift Het Liegend Konijn; de 4e Eline van Haarenprijs 2008 voor de beste bundel van een dichteres tot 35 jaar; genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs 2007 en de Jo Peters Poëzieprijs 2008.)
Haar tweede bundel is Namens de ander (bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs 2010, de J.C. Bloem-poëzieprijs 2011 en genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs 2009 )
Voor haar beide eerste bundels won Perquin de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2009, en ze ontving in 2010 voor haar oeuvre de driejaarlijkse Anna Blaman Prijs voor schrijvers met een binding aan Rotterdam.
Haar derde bundel Celinspecties verscheen onlangs.
Risico's
Onze gebruikelijke kamer. Geheel volgens afspraak richten de muren
zich op. Het raam ontvouwt, compleet
met gesloten gordijnen. Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn
of het eind van de dag. Vormvast schemerdonker,
wat grappen over daglicht dat minder en minder verdraagt. De geur
van hout en overrijpe mandarijnen.
Kijk, daar komen de kastjes tevoorschijn, het tweepersoonsbed
tekent zich af met de lakens en dekens,
de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag. Eenmaal beneden
hernemen we onze gezichten, schuiven we aan
en het uitzicht vult de kozijnen: landerijen, drie wankele bomen.
We weten al lang wat we nu zullen nemen:
het voorgerecht dat steevast tegenvalt, de biefstuk en de appeltaart.
We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels
iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar.
Het grootste gevaar dekt ons toe
met dezelfde plek, dezelfde kamer. We wagen ons gewoontes in,
hebben ons lief. We herhalen.
Het gedicht bestaat uit negen disticha, waarbij telkens de tweede regel ongeveer de helft van de eerste is. Heb je dat bewust zo geschreven?
Je weet niet altijd precies wat je doet. Het gedicht ontstaat en zoekt zijn eigen vorm. De eerste strofe eindigt met ‘compleet’ en die vorm werd in de andere strofe herhaald. Het gaat ook om herhaling.
De eerste zin heeft geen werkwoord. Je valt met de deur in huis. In een gedicht zou: ‘Dit is onze gebruikelijke kamer.’ niet passen; te prozaïsch.
Maar zo zeg je dat ook, stel ik me voor, met zo’n verkorte vorm. Een nuchtere, maar ook wat droevige constatering.
‘richten de muren zich op’: zo doet dat zich aan de personages van het gedicht voor, alsof ze omhoog komen.
Het lijkt een decor. Je kunt denken aan een filmdecor dat wordt opgebouwd. Ze kunnen ook weer vallen.
‘Het raam ontvouwt’; niet ‘ontvouwt zich’.
Dit lijkt actiever, dwingender.
‘met gesloten gordijnen.’
Ja, dat is zo in hotels. Men laat de gordijnen dicht om een intieme sfeer te suggereren. Het heeft ook iets erotisch. Je kunt meteen op het bed neervallen. Dat is bewust beleid. Misschien ook wel om het meubilair te sparen voor het zonlicht.
Je moet je thuis voelen in een hotel. Vandaar de welkomstwoorden tegenwoordig op het beeldscherm. Tegelijk is er weinig treuriger en eenzamer dan een hotelkamer. Het is onpersoonlijk. Iedere nacht andere mensen onder dezelfde reproducties van Monet of Renoir of nog erger.
‘Vormvast schemerdonker’; weer een woordgroep zonder werkwoord. ‘schemerdonker’ lijkt eerder diffuus.
Het is constaterend, bijna saai. Welbewust. ‘Vormvast’ want alles zit vast in zijn vorm. Tegelijk zijn de meubels in zo’n soort hotel hoekig: nachtkastjes, rechthoekig bed en een vierkant tafeltje.
Je hebt het ‘daglicht’ gepersonifieerd.
De uitdrukking is natuurlijk: ‘dat verdraagt het daglicht niet’, waarbij ‘dat’ het onderwerp is. Ik begreep dat als kind verkeerd en dacht dat het daglicht iets niets verdroeg, wat natuurlijk vaak zo is als je je tenminste op het standpunt van het daglicht stelt. Er is zo veel dat het daglicht liever niet ziet. Ik dacht als kind ook dat ‘houd de dief’ was: ‘houten dief’.
Het is een dichterlijke eigenschap om de dingen te personifieren. Dichters kunnen medelijden hebben met een verwarming die achter een bank staat en die nooit de kamer kan zien. Het is een een kinderlijke eigenschap die ze niet hebben verloren.
Die twee die de kamer binnenkomen maken grappen over dat daglicht om de sfeer te ontkennen, de sfeer van treurnis.
‘De geur / van hout en overrijpe mandfarijnen.’ Nachtkastjesgeur.
Ja, zo ruikt het daar. Ik vind overrijpe mandarijnen ook heel erg. Misschien wel opgeroepen door oranje spreien of de vorige ‘bewoners’ aten mandarijnen.
Het heeft iets van verval, van verloren erotiek. Men zegt van vrouwen dat ze overrijp zijn, nooit van mannen.
Langzaam ontvouwt zich de kamer, alsof er een camera langs gaat, in slow motion.
Ja, het gedicht ontvouwt zich. Het geheel wordt je bijna ingepeperd. Het is slag op slag.
‘de sprei met de vlek’: dat hoeft geen sperma te zijn, kan ook een koffievlek zijn.
In goedkope hotels wordt zo’n sprei niet gewassen, niet vervangen. Het stel ziet de bekende vlek. Ik heb gewerkt als kamermeisje en ik weet dat zulke spreien lang kunnen blijven liggen en dat de vlek zelfs op dezelfde wijze op het bed ligt. Het kan ook niet anders.
Dan gaan ze naar beneden en hun gezichten zitten weer in de plooi.
Wat is er gebeurd op de kamer? Zijn er verwijten geweest? Waren ze boos op elkaar?
Of dát zelfs niet meer.
En dan gaan ze naar beneden. Ze trekken weer hun sociale gezicht. Niets aan de hand. Het gaat prima met ons. Ze gaan aan de bekende tafel zitten.
‘het uitzicht vult de kozijnen’: weer die personificatie. Het is een treurig uitzicht.
Ze eten wat ze altijd eten, ook al weten ze dat het tegenvalt. Waarom kiezen ze nooit iets anders, de kaart bevat meer gerechten, maar nee, ze eten het bekende. En ze eten dat waarvan ze denken dat rijke mensen het eten: biefstuk. Dat eten ze thuis niet. En appeltaart.
Je kunt nog denken aan bloed en zoet.
Ze kunnen zich langzamerhand iets duurders veroorloven, maar nee, ze gaan elk jaar naar het zelfde hotel, eten hetzelfde gerecht. Het is als hun huwelijk. Dertig jaar. Het gedicht gaat over een stel van wie ik hoorde. Het huwelijk als sleur. Iemand zei dat zo’n huwelijk risicoloos was. Dezelfde vrouw, dezelfde man, dertig jaar. Maar dat is van een hoog risico! Je verspeelt je geluk. Van de een naar de ander wippen; dat is risicoloos. Dat is gemakkelijk. Je verveelt je dan niet.
Don Juan verveelde zich uiteindelijk ook. Al die vrouwen, dat is allemaal hetzelfde.
Ja, maar dit lijkt minder gevaarlijk. Uiteindelijk is een dergelijke situatie dodelijk voor je gevoelsleven: ‘Het grootste gevaar dekt ons toe’. Het lijkt veilig, we worden afgedekt.
‘We wagen ons gewoontes in’?
Ja, ze hebben het lef om gewoontes toe te laten. Dit is dubbelzinnig. ‘hebben ons lief’; dat wil zeggen: we houden ons bij elkaar. Misschien ook om voor de buren een eenheid te blijven. Het gaat goed hoor! ‘We herhalen’. Daar is ook weer gek genoeg moed voor nodig.
Nog even over de vorm: had het ook zó gekund: zeven disticha. De eerste strofe eindigt met ‘gesloten gordijnen’; het tweede met ‘minder’ etc.
Enjambementen kunnen willekeurig lijken, maar bij nader inzien ben ik toch blij met de bestaande vorm. Het herhalende komt er beter mee uit. Ik heb ook wel gedacht: zijn er niet te veel herhalingen? Het gaat maar door. Maar dat past natuurlijk goed bij het thema van het gedicht. Het is gruwelijk.
Je schrijft ook columns voor De Groene. Denk je dat je naar proza toegroeit?
Ik wilde vroeger natuurlijk de vuistdikke roman over liefde en dood schrijven, maar voorlopig kan ik dat niet. Ik ben een korte-dingetjes-schrijver. Columns passen daar goed bij. Misschien publiceer ik ooit korte verhalen.
Weet je wanneer iets een gedicht wordt en wanneer een column?
Ja, voor een column moet je iets meemaken, wat je wil vertellen. Iets eenvoudigs, alledaags misschien, een waarneming. Ik sta bijvoorbeeld achter een volumineuze dame in de supermarkt en die rijdt tegen een stelling op met tomaten. Al die tomaten rollen over de grond en zij doet geen enkele moeite om dat te herstellen. Ze doet alleen moeite met dat dikke lijf en dat enorme achterste om tussen de rollende tomaten te stappen. Ik sta daarachter en denk: wat is dit? Waarom fascineert mij dat? Zo iets wordt een column.
Bij een gedicht vertrek ik vanuit een gedachte of vanuit taal.
In dit gedicht was dat: ‘de sprei met de vlek’. De gedachte van treurige herhaling in een langdurige relatie.
Maar het begon dus met een beeld.
Beeld en gedachte zaten aan elkaar vastgekleefd.
Een gedicht valt je toe. Vroeger hadden we het over de muze die haar gunsten al of niet verleent.
De muze kun je lokken. Je kunt ook gedichten in opdracht schrijven.
==
maandag 21 januari 2013
Lucas Hirsch Rebels en gevoelig
Lucas Hirsch
Rebels en gevoelig
Lucas Hirsch (1975) is dichter te Haarlem. Hij publiceerde bij De Arbeiderspers eerder de bundels familie gebiedt (2006) en Tastzin (2009). Onlangs is zijn derde bundel, Dolhuis, verschenen. Hirsch publiceerde zijn werk de laatste jaren in een aantal Nederlandse, Vlaamse en Amerikaanse tijdschriften. Hij is ook performing poet.
==
vijftien vadem diep
(uit: ‘familie gebiedt’)
bijna kinderliedjes onthouden
de deining ingezet op vijftien vadem diep
aan het ij de stad een galmbak
groots gebarend de totaalplaat ontvouwen
de regels voor mijn huis mijn hoed opgehouden
gegroet oh dak mijn dankbaar dak in spe
rebels als je bent
ontkend gehurkt tussen de bloemen
in het park prevelt de ober
hoe goed het smaken heeft
ik denk en geur dan zomer stad rivier
en jij daarover
oude lengtemaat de vaardiepte is
makkelijk te meten door het touw tussen
de handen aan de gestrekte armen binnen te halen
voor toepassing op land gedefinieerd als zes amsterdamse voeten
weet jij staat er achter tussen haken
is zeer handig wanneer je je
plaats vindt onder de inmiddels opgevouwen zoldering
het water en de bomen zo klein
suggereren dat er iets ontbreekt vergeten is
vandaar dit schrijven perfecte flaneur
het hummen van de melodie mijn lippen rijstpapier
het maakt niet uit dat ik de stad oppak en blaas
==
Dit gedicht heb ik in opdracht geschreven.
Daarom de titel?
Ik denk vanwege het ritme. Het kan zijn dat ik het onbewust ergens heb meegepikt. Ik heb geschiedenis gestudeerd en heel veel over Amsterdam gelezen. Over het IJ en de ontwikkeling van de stad.
In Handelingen 27:28 gaat het over de schipbreuk van Paulus. Vijftien vadem diep, dat is ongeveer 27 meter. Shakespeare heeft het in The Tempest over vijf vadem.
Vijftien vadem is ritmisch beter. Geeft het wat meer verdieping. Ik weet wel dat het IJ diep is vanwege al die cruiseschepen. Ik heb het gedicht zes jaar geleden geschreven. Het is wat lastig om dat terug te halen. Het ging me om het beeld dat ik van Amsterdam had toen ik aan De Amstel woonde. Maar ik zie dat de beelden nog werken in mijn hoofd. Ze geven een sfeer en gevoel weer van een stad die ooit een wereldstad was en die sfeer bepaalt voor mij nog steeds het beeld dat ik van Amsterdam heb.
Misschien juist wel interessant.
De Amstel komt op het IJ uit. Ik voelde me verbonden met het IJ. Ik heb het gedicht geschreven voor de nieuwjaarsreceptie van Job Cohen. Een aantal dichters was gevraagd een gedicht te schrijven voor de nieuwjaarsreceptie van de toenmalige burgemeester van Amsterdam.
Het gedicht, van Harmens schetst een grimmig beeld van de stad Amsterdam: „macht is het saldo op je pinpas/ amsterdam zuid snoozet terwijl noord oud casino vreet van bakker bart/ de dam zakt in ’t rokin verdwijnt op cs geen trein een krater op ’t museumplein.” Patrick Roubroeks van het evenementenbureau Xsaga, dat het programma verzorgde, had bezwaar tegen de regel „de burgemeester smoezelt alles komt goed en hijst de driekruisenvlag”. Vooral het woordje ‘smoezelt’ stuitte op veel weerstand bij Xsaga. Het zou wellicht verkeerd kunnen vallen bij Cohen. Cohen is nooit iets gevraagd en wist van niets. Toen ik hoorde van de censuur die Xsaga wilde opleggen, heb ik per direct mijn bijdrage ingetrokken. Ik weet nog dat ik ‘s avonds laat een zware discussie heb gehad met de dichters die wel hun gedicht wilde voordragen. Ook Patrick Roubroeks belde me om te melden dat als ik niet zou komen opdragen, ik nooit meer aan de bak zou komen in Amsterdam en dat hij daar persoonlijk voor zou zorgen. Het is een belangrijk moment geweest in mijn dichterschap omdat ik stelling heb genomen in een belachelijke discussie, mede ook omdat we van te voren hadden gehoord dat we konden schrijven wat we wilden. Xsaga was bang voor mogelijke reputatieschade door het gedicht van Harmens en verwachtte van Harmens dat hij zijn gedicht aan zou passen. Toen dat niet gebeurde, heeft Harmens bedankt voor de eer en ik ben daar in meegegaan.
Het is een enorme rel geworden. Ik woonde toen net aan de Amstel. Ik kwam vanuit de Rivierenbuurt. Het moest nog mijn huis worden. Vandaar ‘dankbaar dak in spe’. Hoog. Je ziet ‘de totaalplaat’.
De vierde distichon lijkt me kenmerkend voor jou en je werk: rebels en ‘gehurkt tussen de bloemen’. Je hebt een harde kant, een macho-kant en een zachte kant. Mooi van klank trouwens.
Ik doe heel veel met klank . Je kan met klank en bepaalde woorden het ritme van een zin breken en versnellen, stroperig maken en soepel. En je bent naar mijn mening nooit alleen maar teder, zacht en lief maar ook sterk, woest en versnipperd. Amsterdam doet dat met je, vandaar de schijnbare tegenstrijdgheid. De ober vraagt of het gesmaakt heeft en er zijn veel smaken in het park. Dat dubbele vind ik wel aardig.
De jij is een geliefde?
Ja.
‘dit schrijven perfecte flaneur’. Dat zegt iets over je dichterschap.
Ik probeer een flaneur te zijn , een waarnemer. Zo kijk ik naar mijn omgeving. En stel me dan de vraag, waar ben ik in die omgeving die ik waarneem, wat doet het met me? Ik filter uit wat ik zie en hoor en lees van alles voor mijn poëzie. Alles in mijn leven, mijn omgeving heeft invloed op mijn werk.
Dan kom je terug op het zingen uit het begin op de pont. ‘mijn lippen rijstpapier’
Heel kwetsbaar ook. Ja, leuk om het zo terug te lezen.
Je houdt niet van komma’s?
Ik heb lang gevonden dat leestekens mijn gedichten afremden, belemmerden. Ik wilde de regels en woorden ongehinderd laten ronken en schurken, ze moesten een eigen leven gaan leiden en dat kon alleen maar door het weglaten van leestekens. De gedichten moesten vrij zijn, vrij staan en gelezen worden zoals de lezer dat wilde. Er zit in al mijn gedichten een sterk ritme dat je kan vinden als je goed leest of me hoort voordragen. Als je die sleutel vindt dan gaat het gedicht opeens meer leven. In latere bundels gebruik ik mondjesmaat komma’s om de zinnen meer rust te geven, bezinning als het ware. Wellicht zal ik ooit met punten gaan werken.
Je doet in elke bundel andere dingen.
Ik had laatst een gesprek met Ellen (Deckwitz) en zij zei dat mijn eerste bundel een stijlwaaier was. Tastzin en Dolhuis zijn met een thema geschreven, met een intentie en emotie. Ik werk veel vanuit mijn onderbuik. Ik ga opzoek naar de associatieve onderbuik en wil van daar uit gedichten schrijven die 1-op-1 met mijn gevoelsleven overeenkomen. Dat kan vanuit klank ontstaan, klanken roepen emoties op bij mij, bepaalde woorden ook. De moeilijkheid is, denk ik, om niet met bestaande metaforen en beelden op de proppen te komen, maar diep te graven en weer te geven wat je voelt en ervaart. Ik ben mijn gedichten en daardoor begrijp ik mezelf beter en de omgeving waarin ik mij beweeg.
Met een andere poëtica ook.
Ik denk niet dat je je hele leven kan werken vanuit één poetica. Bij mij werkt het als een organisme. Je verandert als mens door je leven heen, zo ook de kijk op het leven zelf en dat moet naar mijn idee zijn weerslag hebben op het werk dat je maakt. Familie gebiedt is woest van taal en ik wilde tijdens het maken van deze bundel mijn eigen stem vinden, mezelf verlossen van alles wat ik had gelezen en geschreven. Dat is deels gelukt denk ik, want je ziet sommige “stijloefeningen” terug komen in Tastzin en in Dolhuis. Als ik bijna aan het eind van een bundel ben, schrijf ik heel anders. Het past wel in de bundel, maar uit Tastzin heb ik een gedicht meegenomen naar Dolhuis, een beetje herschreven. In de vierde bundel komen gedichten uit drie. Er zit dus een rode lijn in mijn werk, eentje van ontwikkeling en experimenteren. Alles om maar die 1-op-1 ervaring te kunnen verwoorden.
Toch is de derde bundel totaal anders dan de tweede.
Absoluut. Ik moest die bundel maken. Dit moest ik melden. Tastzin heb ik vanuit een persoonlijke crisis geschreven; een identiteitscrisis ten opzichte van mijn familie. Dat was in de eerste bundel al een thema, maar werd in de tweede uitgewerkt. Ik was afgebroken en moest mezelf weer in elkaar zetten. Wie ben ik? Waar liggen mijn roots? Ik heb een Indische en een joodse kant. Tastzin gaat over een familietrauma dat zich ook in mij heeft gemanifesteerd. Oorlog houdt nooit op. Aan het eind is er een brief aan een oudtante van mij, Beatrice. Mijn opa is de enige die is teruggekomen uit Auschwitz. Mijn vader is van ’51, tweede generatie dus, maar die heeft geleden onder de oorlogsgeschiedenis. Mijn opa was een lieve, zachte man. Hij zei: ‘Ik ben al naar de hel geweest, de aarde nu is mijn hemel.’ Ik kwam in een crisis terecht, met een heel laag zelfbeeld. Ik heb de bundel in twee maanden geschreven. Daarna moest ik natuurlijk ordenen en schaven. Het moet één op één zijn, diep uit je ziel komen. Onverbloemd.
In de derde bundel neem je afscheid van de metaforiek. Je bent opgegroeid tijdens je studie met Lucebert.
En Kouwenaar!
Wat me nu opvalt is dat al in Vijftien vadem diep heel gewone taal wordt gebruikt. ‘de stad een galmbak’ is wel een metafoor, maar heel herkenbaar; niet Lucebertiaans.
Ik heb daar heel erg mee geworsteld en veel geleerd van het simpele taalgebruik van Kouwenaar, die ik enorm bewonder. Hij kleedt de taal uit, maar hij zet het zo neer, dat er een compleet andere dimensie ontstaat. De drift van Lucebert, de klank en het ritme, probeer ik te combineren met de helderheid van Kouwenaar. Sirrka Turkka, een Finse dichter, is ook een inspiratiebron voor mij. Er zijn van haar vertalingen bij de Bezige Bij uitgekomen. Zij woont midden in een groot bos. Ik heb wel eens wat gestuurd, maar dat is nooit aangekomen denk ik. Het is een romantisch idee, dat die brief nog steeds rondzwerft. Ik heb een cyclus in Tastzin aan haar opgedragen. Zij combineert een Hans Christiaan Andersen-achtige sprookjeswereld met een Kouwenaar-achtige helderheid. Fantastisch. Ik heb een maand in New York mogen schrijven, in een schrijfkolonie, midden in de wildernis. Upstate New York, twee uur met de trein naar boven. Daar heb ik veel wandelingen gemaakt in de natuur. Ik heb Dolhuis daar afgeschreven. Overigens zit daar geen natuurbeleving in.
Over Dolhuis wordt geschreven door je uitgever: ‘Een bundel als een vuistslag, maar dan met een fluwelen handschoen.’ Vuistslag, accoord, maar fluwelen handschoen? Ik vind woede en dat zit in al je werk.
De bundel is niet alleen maar woede; er is ook berusting. Er staan ook gedichten over verlies in. De vuistslag trek aandacht, maar met fluweel komt het wat zachter aan. Ik heb deze bundel niet gemaakt om mensen in elkaar te trimmen.
Er staat verder: apolitiek. Het is, denk ik, politiek als je het koningshuis aanpakt.
Wat ik niet heb willen doen is vanuit een koopmans-domineesgeest even de wereld vertellen hoe het moet. Ik heb geprobeerd de dingen die ik om heen gezien heb gedurende vier jaar te filteren en dan één op één weer te geven. Dit gebeurt. Ik kaart het aan en dat komt uit alle hoeken aanwaaien, uit linkse en rechtse. Het is niet politiek partijdig. Het is geen links pamflet, evenmin rechts of liberaal.
‘In het huidige literaire en poëtische klimaat is engagement een vies woord’? Dat vroeg ik me af. Is dat nog zo?
Het gekke is dat het engagement het laatste aantal maanden of het laatste jaar steeds meer terugkomt, maar het is toch lang ‘not done’ geweest. Er wordt nog wel lacherig over gedaan.
Dan praat je over tien jaar geleden of nog langer. Ik kan zo allerlei dichters noemen die geëngageerd schrijven: H. ter Balkt, Robert Anker, Anne Vegter, Astrid Lampe, Joost Zwagerman, Ramsey Nasr, Erik Jan Harmens, Tsead Bruinja, Willem Thies.
‘Engagement’ is een beladen woord. ‘Engagement’ komt van het Franse woord “engager”, het heeft verschillende betekenissen, maar “het committeren aan”, en aangaan van een strijd staat voor mij centraal. Ga het gevecht aan met jezelf, met je omgeving en jouw positie in die omgeving, wat doet het gevoelsmatig met je en accepteer jezelf daarin, berust, maar observeer en becommentarieer. Engagement zoals we het kennen uit de jaren ’70 is politiek gedreven. Dat is mijn werk niet. Ik probeer niet vanuit een persoonlijk politieke overtuiging te schrijven. De bundel eindigt met de opmerking: dichters, ga nou eens te rade bij je zelf of wat jij maakt voor jou menens is. Ga je tot het gaatje? Ben je één op één? Verbloem je dingen nog? Is je werk urgent of niet? Wat ben je eigenlijk aan het doen?
Maar daaraan moet toch alle goede poëzie in alle tijden voldoen?
Ja, maar het gebeurt te weinig. Naar mijn idee. Ik vind dat er te veel...
gebabbeld wordt.
Ja. En de de hele ‘laissez faire’ die nu heerst; laat duizend bloemen bloeien. Ik heb het idee dat de mooie bloemenweide verworden is tot een moeras waar we allemaal in weggezakt zijn en niet durven te bewegen.
Dat is een beetje modieuze stelling. De tijd van de poëzie-scholen, Vijftig, Zestig, Zeventig is inderdaad voorbij. De Maximalen deden nog een poging, maar dat viel al snel uit elkaar. Er was weerstand tegen de zogenaamde hermetische of witte poëzie.
Het pamflet van Erik Jan: ‘ik ben een bijl’ doet een duidelijke oproep: poëzie moet schuren, moet pijn doen.
Alsof dat iets nieuws is na Paul van Ostaijen, Lucebert, Claus, Ter Balkt.
Het gaat er niet om of het nieuw is of niet, maar of de intentie waaruit het geschreven oprecht is en echt. Daarin moet je de vraag durven stellen of het wel urgentie heeft wat je schrijft. Is dit wel echt wat ik voel en zie? En hoe ver ben je bereid te gaan om af te dalen in jezelf en te tonen wat je diep vanbinnen delft en naar de oppervlakte laat komen. In hoeverre put je jezelf uit? Ga je tot de grens of er net over? Ik lees veel gedichten waarvan ik denk: ja, er zit nog een veel diepere laag onder. Ik lees die pijn wel, maar ik voel hem niet.
Misschien worden er te veel gedichten gepubliceerd.
Er worden te veel gedichten gepubliceerd die naar mijn idee urgentie missen zoals ik dat heb beschreven. Ik ben in Dolhuis naar mijn gevoel een grens overgegaan, waarbij je je heel ongemakkelijk voelt. Roeshoofd hemelt van Zwagerman is voor mij een heel belangrijke bundel. Underperformer van Erik Jan Harmsen ook, in het overboord gooien van de mooi praterij en ga nu eens naar de kern, Waar wil je over schrijven? Doe geen concessies aan je eigen werk.
The New York to Pittsburgh and Back Dutch Poetry Tour – de reis van jou en Hélène Gelèns, Erik Jan Harmens, John Schoorl en Joost Zwagerman door de Verenigde Staten. Heb jij de reis georganiseerd?
Het is mijn initiatief geweest, met de Stichting Kleine Revolutie Producties opgericht in Haarlem, waarmee Jessica Kroskinski en ik literaire evenementen en festivals organiseren. Zo organiseren wij o.a. ieder jaar Poëziefestival Elswout. Het was mijn droom om met een club dichters een tour te maken in de Verenigde Staten. We zijn twee weken van New York naar Pittsburgh en terug gegaan, opgetreden, lessen gegeven. Het consulaat betaalde een deel, LIRA en het Fonds voor de Letteren. We hebben alles zelf geregeld. Ik heb gezocht naar dichters die iets met Amerika hebben, die goed voor kunnen dragen. Niemand kent je daar, dus de eerste indruk is je voordracht. Als laatste heb ik gekeken naar met welke dichters ik goed door één deur zou kunnen gaan. Je zit immers twee weken op elkaars lip. Tenslotte: wat ik vond dat de Nederlandse poëzie te bieden heeft op dit moment. Je kunt dan 50 andere kiezen, maar goed, het is een persoonlijke keuze in overleg met het Fonds voor de Letteren.
=
Nr. 5.
Als ik naar mijn handen kijk besef ik
dat deze handen nooit iemand zullen redden
Ik bid vaak tot God en als er al antwoord komt
komt het krakend in Morsecode binnen
M-A-Y-D-A-Y! M-A-Y-D-A-Y!
Ik probeer uit alle macht het water aan de andere kant
van het bad te houden, maar als de joker tegen de dief zegt
dat hij de pleiterik gaat, volgt de dichter
Mijn collega zingt dat wie niet springt geen jood is
Volgens een andere collega moeten alle joden aan het gas
in een stadion, op zondag of een andere willekeurige
doordeweekse dag, waarop we spruitjes eten met slavinken en
mayonaise
Ik tel tot tien en als ik mijn ogen open
ben je nog steeds een hufter
=
De eerst strofe zet je aan het denken.
Wie ben ik eigenlijk en wat beteken ik voor een ander? Waar sta ik? Wat zal ik doen als de nood aan de man komt. Ik heb een grote mond, maar maak ik die waar?
Ik moet denken aan de SS-er die aan een vrouw vraagt één van haar kinderen te redden. Wat doet ze? Wat zou ik doen in zo’n situatie. Ik hoop dat ik zou zeggen: ‘Zoiets mag je niet vragen, hufter!’ Dan schiet hij me dood en mijn twee kinderen ook, maar dat is zijn keus, niet de mijne.
Hoe moedig ben je? Hoe moedig ben ik?
God weet het ook niet, is ook in nood. Het water aan de andere kant van het bad houden?
Ja, met je handen het water opduwen, maar dat lukt niet, het komt meteen terug. De dichter smeert hem. Wie niet springt, op en neer, in het stadion, is geen jood. Dat zingen ze in een stadion, net als de andere tekst.
Het standpunt van de dichter van dit gedicht is duidelijk: hij vindt dat het, zacht gezegd, fout is.
Ik vind het apart, dat als ik hier de straat zou oprennen met die tekst, ik binnen no time op de grond zou liggen, maar blijkbaar wordt het getolereerd in een stadion. We tolereren hooligan-geweld. Wie is hier nou gek?
Toch staat de dichter in dit gedicht met zijn spot, eventueel zelfspot, aan de goede kant. Het is een veilige keuze.
‘Als ik naar mijn handen kijk besef ik dat deze handen nooit iemand zullen redden’
Veilig? Ben ik niet met je eens.Sta ik aan de goede kant als ik alleen maar een gedicht schrijf? Wat doe je als je aan de goede kant staat. Is veroordelen genoeg? Men zegt: ‘Alsof die joden in Israël van die lekkere jongens zijn’. Dat soort retoriek krijg je nu. En heel begrijpelijk, maar dat neemt het feit niet weg dat we het over gevoelige dingen kunnen en moeten hebben.
Jij bent een dichter en dus schrijf je er een gedicht over. Is dat voldoende? Ja. Niet als je een politicus bent.
Ik bereik wel een publiek van jonge mensen en als ik dit voordraag is er meteen een discussie over. Wat ik graag zie gebeuren met de gedichten uit Dolhuis is, dat er weer gesproken wordt over dingen. Veel maatschappelijke discussies krijgen door het huidige klimaat meteen een politieke kleur en dat wil ik graag doorbreken, loskoppelen. Een goede discussie wordt geleid door argumentatie en kennis, en ja ook vanuit de onderbuik, maar plak er niet meteen een label op van links of rechts. Dan worden discussies meteen een stellingname
Dat is een discussie die toch al gaande is, in de kranten, op tv en radio.
Hoe algemeen wordt het gedragen? Ik vind het heel interessant om er met mijn vrienden over te spreken. Sommige mensen zijn heel erg voor de vrijheid van meningsuiting. Zij vinden dat het gezegd moet kunnen worden. Ik denk: wat behelst vrijheid van meningsuiting? Het verbod op godslastering, daar moeten we vanaf in Nederland. Dat is een wet die gebasseerd is op een samenleving die we al decennia lang niet meer zijn. Ook heeft het geen plek in de seculiere samenleving die we zouden moeten zijn in Nederland. Wat natuurlijk grote onzin is, als je een partij opricht vanuit een geloofsovertuiging, is, dat al bij voorbaat geen secularisme. Het is dan ook vrij arrogant en bekrompen om dan vanuit die geloofsovertuiging, anders/niet gelovigen te gaan vertellen hoe het moet in het land als zo’n partij de macht krijgt. Een typisch Nederlands dilemma denk ik. Het protestantisme/katholicisme/judisme is geworteld en vertakt in alle lagen van de samenleving, maar we zijn al lang geen gelovige samenleving meer waaruit dit land is ontstaan. Aan de andere kant heb je het idee in Nederland dat je je niet de mond laat snoeren door wie dan ook, dat je zegt waar het op staat en dat ook nog eens luid moet doen, maar dat roept ook weerstand op. Dat knelt. Dus laten we beginnen met het verbod op godslastering. Dat haalt de angel uit de discussie denk ik.
Je mag niet tolereren in een democratische, redelijk fatsoenlijke samenleving als mensen in de stadions dat soort dingen roepen.
Ik vind van niet, maar als je vanuit een liberaal oogpunt kijkt, is het misschien anders. Ik heb niet voor niets Spinoza als rode draad in mijn bundel: De Ethica, maar ook Theologisch-Politiek Tractaat , waarin hij over staat en gelooft uitweidt. Het lijkt een simpel gedichtje, maar het triggert toch de discussie.
Wat zou je eigenlijk moeten doen? Het stadion binnengaan en protesteren, maar dat doen we niet, want dat durven we niet.
Ik zou zeggen: je weet precies wie het zijn. Nooit meer een voetbalstadion in. Wat ik het mooist zou vinden: als Ajax zelf een keer de bal oppakt en het stadion uitwandelt als zo’n spreekkoor klinkt. Het gaat ook om apengeluiden. Het is allemaal walgelijk. Niet naar de centen luisteren en naar de uitzendrechten. Jongens, ik ben er klaar mee. Ik doe niet meer mee. Het is een kleine stap, maar dat werkt.
Ja, je moet zeggen: ik wil niet in dit systeem functioneren.
Zo wil ik mijn poëzie schrijven. Ik maak mijn eigen dingen en als het je niet bevalt, schiet me maar lek. Over het engagement nog dit: je moet niet te veel invullen. De luisteraar moet zelf zijn standpunt bepalen.
Roel Weerheijm liet zich in zijn kritiek te veel leiden door het omslag. ‘Machismo’ heet zijn stuk.
Anti-machismo. Het is een grote fout die recensenten maken: afgaan op de foto . Ik heb het gedaan in overleg met de fotograaf en vormgever. Er is een trend ontstaan onder recensenten, dat ze commentaar geven op het omslag, blurbs, flapteksten en auteursfoto’s in hun recensies. Het gaat toch om de gedichten? Dus ik heb een val gezet door groot op het omslag te staan met een pose die, mits je goed kijkt, de gedichten leest maar die op het grotere plaatje, ingetogen is, verslagen bijna. Ik schep graag verwarring. De dikke knipoog naar mezelf en naar de lezer wordt niet gezien. Ik heb bokshandschoenen aan, maar ik sta er ook wat verloren bij. Je moet gedrevenheid niet verwarren met arrogantie. Mijn tatoeages zijn mijn totem . Dit is wie ik ben, take it or leave it.
Het is voor mij een fotoboek. Op belangrijke momenten in mijn leven laat ik een tatoeage zetten. Meestal zie je ze niet. Een nieuwe geliefde moet even wennen. Ze vond het heel mooi. Ze had nog nooit een vriendje gehad die tatoeages had. Ik vind het leuk om een beetje verwarring te scheppen. Ik moest ergens voordragen en ik zat op de eerste rij. Kwam een man op mij af en die zei: ‘U hoort hier niet.’ Goed, ik stond op en ging op de achterste rij zitten. Toen het begon, was de organisatie in paniek, want er ontbrak een dichter. Ze noemden mijn naam en ik liep naar voren. Ik heb het ook in een boekhandel gehad. Ik liep over de poëzieafdeling en de boekverkoper kwam op me af: ‘Meneer, kan ik u ergens mee helpen, want dit is poëzie.’ Ik zei: ‘Ik kom even kijken hoe het met mijn bundel staat.’ Ik word er niet boos van. Ik vind het leuk. Ik snap het wel. Zelf maak ik me ook schuldig aan discriminatie. Iedereen plaatst iedereen in een hokje.
Over Elisabeth Kübler-Rosse en de vijf fasen van rouwverwerking. Je hebt deze gebruikt als ordening. Aanvaarding? Zit dat in de bundel?
Aanvaarding, berusting. Er zit aanvaarding van de dood in. Dat het leven eindig is, vind ik een moeilijk thema. Ik herkende die fasen en heb de bundel toen zo geordend. Ik ben van 90 naar 35 gedichten gegaan en ik moest een ordeningsprincipe hebben. Ik was aan het hardlopen in New York en dacht: die vijf stadia van rouw! Nr 26 is een gedicht over de dood van een baby, een achternichtje van mij. Het eindigt zo: ‘Ik durfde niet te praten met de vrouw die haar kind / en de man die zijn dochter in de aarde had gelegd’
Ik krijg er nog steeds kippenvel van. Een mooie begraafplaats. Mensen van mijn leeftijd, iets ouder. Er waren wel duizend mensen. Het was heel intens. Iedereen was oprecht geëmotioneerd, op zijn manier. Het heeft maanden geduurd voor ik er over kon schrijven. Ik ben diep gegaan. Paste het wel in Dolhuis?
Ik denk van wel, omdat het krankzinnig lijkt dat een kind wordt geboren en zo jong moet sterven. En kijk eens wat je doet in de laatste strofe. Er is bijna woede over de onverschillige kosmos: ‘Ik weet niet of die dag de zon scheen / maar je wees me erop dat de sterren / zo mooi en kalm die nacht’. En dan breekt het af.
Spinoza: God is natuur en natuur is God. De natuur is een bitch . En een lover, het leven zelf dus… Of het is een aanleiding tot berusting. Zo is het en allerlei particuliere gevoelens doen er niet toe. Het maakt niet uit. Natura naturata: we moeten ons als mens niet buiten de natuur plaatsen.
‘Ik viel uit mijn stem en brak voor je voeten’; dat doet me aan Kouwenaar denken.
Klopt. Ik laat me beïnvloeden door de dichters om me heen. De daadkracht van zijn taalgebruik staat me heel erg aan.
Volgens Weerheijm (schreeuwen) de meeste gedichten in deze bundel (...) de pretentie uit urgente dingen te zeggen over allerlei maatschappelijke misstanden’. Dat ben ik niet met hem eens: er is geen pretentie.
Wie denk dat dit urgente zaken zijn, heeft het mis. Het zijn louter observaties die mij verbazen, roeren en verdrietig maken. We zijn onderhand zoveel gewend te zien en ervaren in het publieke domein dat we zijn afsgestompt. Dat zie je door de hele maatschappij heen, of het nou gaat om spreekkoren, porno op tv, Boer Zoekt Vrouw, politiek of religie. Als er dan over urgentie gesproken moet worden, geldt dat voor de urgentie vanuit mijn zijn dat ik deze gedichten zo moest schrijven, geen consessies, geen mooipraterij, geen geneuzel. Rauw, hard, teder, zacht, ontwapenend en verdrietig. Zo word ik door het leven geslingerd en schrijf daar over. Ik heb de wil om urgente dingen te zeggen, maar zonder het vingertje van dit mag niet, dat mag niet.
‘Nederland erkent de internationale rechten van de mens / Nederlandse politici wisten van de geheime martelvluchten / van de CIA’ Is dat niet eerder een tweet?
Een corrector zei: ‘Dat is toch algemeen bekend!’ Ja, dat is juist zo shocking. Dat er niets mee gebeurt. We durven naar China te vliegen om te zeggen dat ze daar iets aan de mensenrechten moeten doen, maar ondertussen heb je die doorvoer van zogenaamde terroristen, die buiten Amerika helemaal gek gemarteld worden. Ik kan slecht tegen onrecht. En Nederland heeft haar steentje dus bijgedragen aan The War on Terror… Je kan niet roeptoeteren als land dat je staat voor de rechten van de mens bla bla bla als je illegaal, in het geniep, nog niet berechte en dus alleen verdachte sujetten met een bepaalde geloofsovertuiging, in een vliegtuig gooit en ze dan naar landen vliegt waar het met de rechten van de mens niet zo nauw wordt genomen. Hoe verkoop je dit als liberaal, christen of socialist? Niet toch? Nou welkom in Nederland. We hebben nota bene het internationaal strafhof in Den Haag!
‘Volgens veel Nederlanders heeft de Kristallnacht / iets te maken met kerst.’ Dat is natuurlijk verschrikkelijk. Je hoeft het alleen maar te noteren.
Blijkbaar is het niet meer urgent om dat te vertellen als geschiedenisleraar of men zegt: ach, die oorlog is zo lang geleden... Dolhuis gaat over geestelijk failliet. Wie maakt zich nog druk over de vader van Maxima? Of over ons koningshuis? Niet dat ik zo’n hekel heb aan Beatrix, maar het instituut! Democratie en monarchie gaan niet samen. Een constitutionele monarchie is een fabel. Maar als je er over begint met mensen, halen ze hun schouders op.
Ik heb gehockeyed op een club in Bussum. De Gooische Hockeyclub was tijdens de oorlosgjaren een bekende en beruchte NSB club. De voorzitter van destijds is na de oorlog vervolgd, terechtgesteld, heeft zijn zonden bekend en hij is tenslotte gerehabiliteerd. Als ik met mijn familie op het veld stond en zijn kleindochter was aan het hockeyen, werd er gefluisterd: ‘Dat is die kleindochter van die NSB’er.’ Over Maxima mag ik niet zeuren. Dat heeft denk ik te maken met het feit dat het gruwelijke Videla-regime erg ver van ons bedje was, helemaal in Zuid-Amerika. Het heeft ons niet geraakt. Dus ik moet niet zeuren, maar we hebben het nog steeds over de kleinkinderen van bekende NSB-kopstukken. We jagen nog steeds op Nazi’s in de wereld, maar vinden dat vader Zorreguieta best op de thee kan bij Beatrix, terwijl Beatrix ieder jaar kransen legt op het oorlosgmonument op de Dam in Amsterdam om slachtoffers van fascistische en dictatoriale regimes te herdenken. Dat klopt toch niet? Zij kan er niks aan doen, maar ze heeft wel geprofiteerd van het geld en de stand. Als Hitler een dochter had gehad en die was getrouwd met Willem Alexander? Ja, dat is een ander verhaal. Hoezo anders?
==
Nr. 1
Vorm aan je leven geven een cirkelredenering?
Een onbehouwen vuist, het tijdsgewricht?
De genatuurde natuur, insomnia
Er schampte zojuist een pijl mijn kin
Had ik vier poten, dan ging ik op een draf
Zwaaien gaat niet meer. Er hangen volle tassen
aan mijn strakgespannen armen. Er vliegen vogels op
de vlucht, het zoveelwekenplan voor elke afstand
Wanneer wordt dit gesmeed?
De tips, het schema, de rekensom
We tellen af. Het land in rep en roer
Ik verloor alle schaamte, ik verloor ieder antwoord
Ik kom handen tekort en geen angst zo groot als
dat je droomt dat we in slaap worden gesust
wat je tilt uit handen valt
=
Het belangrijkste gedicht van de bundel.
‘een cirkelredenering?’ want je komt altijd weer bij jezelf uit?
In je leven wordt alles herhaald. Er zijn patronen waar je in terecht raakt en waar je heel moeilijk uitkomt. Er moet echt iets gebeuren, wil je uit je patroon stappen. Je bent wie je bent, maar je kunt ook bedenken waar je nu mee bezig bent. Er kan iets gebeuren. Dat zijn de gebeurtenissen waarover ik het heb in de bundel, de gebeurtenissen die je wakker schudden. Ik heb er commentaar op, maar waar sta ik zelf? Wat kan ik er aan doen? De pijl. Ik word beschoten en ik weet niet waar het vandaan komt. Ik zou wel willen vluchten. ‘Er hangen volle tassen’; wat je filtert uit je omgeving en wat doet dat met jou. Massaconsumptie. Wat sjouw je allemaal mee aan tv-beelden, krantenartikelen, aan onrust. Het is een geestelijke crisis.
‘De tips, het schema, de rekensom’: Ik moest denken aan het werk waarmee je geld verdient op een bank.
Ik schrijf dreigingsanalyses over landen, gebieden en personen. Dan kijk je plots heel anders en zakelijk naar de situatie in de wereld en kom je al snel op de proppen met tips, een rekensom en een schema. Mensen komen er dan niet meer aan te pas. Een bank maakt een rekensommetje, geen ethische afwegingen.
‘Ik verloor alle schaamte, ik verloor ieder antwoord’: je staat naakt, je weet het niet meer.
Een gevoel van onmacht over de poitiek maatschappelijke situatie en over mijn eigen poëzie en die van anderen. Daar sta je dan: zwaar gestresst, met gespannen armen, met die bagage en wat doe je er mee? Dit is als het ware de index van de bundel.
Er staan ook gedichten in waarvan ik denk: dat is een mooie tweet.
Een tweet? Die schrijf ik niet.
‘Volgens zijn dokter was hij allergisch voor de echte wereld / en kon hij doodgaan als hij daarin zou moeten leven’
Dit gaat over een bankier die zijn zuurverdiende bonus niet wil inleveren. Treffend. Is het poëzie? Het is zeker veelzeggend. Youp van ‘t Hek.
Als een bankier zegt, tijdens de crisis: ‘ik heb niks fout gedaan’ , raak je precies de kern van het probleem. ‘stervende negertjes vindt hij vies’ En de echte wereld is geen plek waar hij/zij wil leven, de bubbel die de bankensector heet, is een eigen wereld, die als je meedoet, luistert en ja en amen zegt, je heel veel kan brengen op financieel gebied. Men is de menselijke maat vergeten mee te rekenen in het plaatje dat economie heet. Dat zie je bijvoorbeeld in Griekenland gebeuren. Het gaat al lang niet meer om de Griekse bevolking maar om het veiligstellen van tegoeden, investeringen en geldstromen. Let wel, we zitten in een BANKEN crisis, niet in een schuldencrisis. Jammer dat we dat nu vergeten. Maar zo is het leven. We willen allemaal meer, duurder en nog eens meer. Stel jezelf eens de vraag, hoeveel is genoeg?
De nieuwe bundel is weer heel anders?
Ik heb wel bedacht wat ik wil, maar het kan over een half jaar anders zijn. Ik merk dat ik heel graag in een thema wil schrijven. Ik heb een werktitel: ‘Ontsla me van alles dat ik lief heb’. Het gaat over de periode, waarin ik een dierbare heb verloren, ik ben gescheiden en twee keer verhuisd. Ik heb een nieuwe liefde gevonden. Er is in die periode zo ontzettend veel gebeurd, dat ik goed naar mezelf moet kijken wie ik ben en waar ik sta. Daar ben ik nu mee bezig; verwerking van afscheid. Je verlies nemen, opkrabbelen en verder gaan in het leven. Een afdelingstitel zou kunnen zijn: ‘Berichten uit de oude wereld’. Als je voorwaarts wil, word je geconfronteerd met je verleden, je angsten, je onzekerheden. Het wordt vrij kort van taal. Het gaat misschien verder waar Tastzin is geëindigd. Nog korter, elliptisch taalgebruik. Niet meer de krantentaal. Het gaat misschien meer richting Kouwenaar. Ik wil de taal uitkleden, dan komt het veel meer bij de emotie, bij de onderbuik. De lange gedichten in Dolhuis zijn anders, die moesten er uit. Dit wordt meer bezonken. Ik heb veel geaccepteerd en vanuit die rust kan ik nu schrijven. Ik heb dertig gedichten, maar ja, ik moet drie jaar wachten. Dat is ook wel goed, dan kan het bezinken. Het kan zelfs langer duren, dit project, omdat er nog heel veel achteraan komt. ===============
Abonneren op:
Posts (Atom)