maandag 21 januari 2013

Jan Glas Gedichten als collages


Jan Glas

Gedichten als collages

Jan Glas is dichter, fotograaf, beeldend kunstenaar en zanger. Voor zijn Groningstalige poëzie won hij al diverse prijzen waaronder de Literaire Prijs van Stichting ‘t Grunneger Bouk en de Duitse Freudenthal-prijs voor nieuwe Nedersaksische literatuur. In 2008 ontving hij het Belcampo-stipendium wat resulteerde in de tweetalige bundel Zo is t nait goan / Zo is het niet gegaan. In hetzelfde jaar verscheen ook een boek waarin hij samenwerkte met de schilder Dolf Verlinden: Stel je bent schilder.  
Overig werk van hem: De vangers van zummer, Het getal hondje, Een klein gebaar, Dubbel Glas.
==

Ik moet nog even ontbijten. Ik werk ‘s nachts en dan sta ik laat op.

We gaan over één of twee gedichten praten; niet over je leven.

Dat is mooi. Het gaat om de gedichten. Ik ben ook bang dat ik anders tussen mijn gedicht en de lezer sta. Dat vind ik jammer, omdat ik soms van lezers dingen hoor over mijn gedichten die ik zelf nog niet weet. Je moet als dichter een gedicht niet uitleggen, dan ontneem je de lezer zijn avontuur. 

Het titelgedicht:

Als was zij mijn vrouw

Ik trof haar half bevroren aan.
De hele winter had ze op de ganzen gewacht.
Ik nam haar in huis als was zij mijn vrouw.

Binnenshuis deed ze plastic zakken
om haar vieze voetjes.
‘Ach, dat hoeft toch helemaal niet,’ zei ik.
Ritselend liep ze naar de koelkast.
Ik ging mijn bed verschonen.

‘Weet jij eigenlijk wel
dat je aan de hemel ontsnapt bent?’
Ja, dat wist ze wel.

Boven stond ik nog even
voor het slaapkamerraam.

Het water in de vijver, zag ik,
was vis geworden.

Het gedicht begint met een hyperbool: ze is natuurlijk niet echt halfbevroren. Ze is nogal koud. De tweede regel is verrassend. Ze wachtte op het voorjaar. De zij is waarschijnlijk een mens. Het kan ook een dier zijn, maar ze doet menselijke dingen. Ze is bang om dingen vuil te maken. Ze krijgt nu iets meisjesachtigs. Ze heeft allerlei wonderlijke kleren aan: ritselend.

Nee, dat zijn die zakken.

Ze gaat naar de koelkast, want ze heeft honger. De ik gaat zijn bed verschonen. Je weet immers nooit wat er van komt. Dan vraagt de ik: ‘Weet je eigenlijk wel / dat je aan de hemel ontsnapt bent.’ Ontsnapt! Ze is niet dood gevroren. Misschien is ze wel een engel. Ze komt uit een andere wereld, omlaaggevallen in de kou. Ze is hier al een tijd, want ze heeft op de ganzen gewacht. De ik staat boven nog even te peinzen. En dan, dat is altijd zo in je  gedichten, komt er een vreemde wending: het water was vis geworden. Beetje absurdistisch. Er zit zo veel vis in de vijver dat je geen water meer ziet. 

Je houdt niet van metaforen.

Het gedicht op zich kan een metafoor zijn. Binnenin hou ik daar inderdaad niet van. Het gedicht ‘De zoon en de zee’ gaat over een verstoorde moeder-zoon-relatie. Ik hou er van als een gedicht een parabel is of een metafoor. In het gedicht hou ik van directe taal. 

Betekent dat ook dat je een adept van de Zestigers, Bernlef en Schippers?

Daar weet ik niet genoeg van om daar iets over te kunnen zeggen. Wat ik steeds meer merk, is dat ik misschien meer beeldend kunstenaar ben, dan een dichter. Toen ik gestopt was met beeldende kunst en gedichten ging maken, ben ik begonnen met een magere achtergrond. Ik had Vasalis gelezen, Rutger Kopland, Remco Campert, Gerard Reve; wat iedereen wel heeft gelezen. 
Ik begin altijd met een beeld. Dat levert een zin op. Ik hou niet van vage zinnen, waarin je van alles kunt vermoeden. Misschien dat je mijn regels niet altijd begrijpt, maar het zijn wel duidelijke zinnen.

Parlando. Elke regel zou een stukje van een krantenbericht kunnen zijn.

Ja. Dat doe ik veel. Ik heb dit boekje hier. Ik luister veel naar de radio en lees kranten en ik schrijf heel veel dingen op, die ik hoor of lees. De eerste regel van dit gedicht komt van een documentaire op de tv. Het ging over de Noordpool. Het zou voorjaar worden en de ganzen kwamen terug. Toen kregen we een klein poolvosje in beeld, dat kwam uit zijn hol en toen zei de voice-over: ‘De hele winter had ze op de ganzen gewacht.’ Dat is een mooie zin, dacht ik. Het gedicht is gestoeld op die zin en op wat ik met Anneke Claus heb meegemaakt in Turkije. We bezochten een heiligdom, moesten de schoenen uitdoen en kregen plastic overtrekjes, die ritselden. Toen we naar buiten kwamen, werden mijn overtrekjes is een mand gedaan voor hergebruik en die van Anneke werden in de afvalbak gegooid, omdat zij een vrouw was. Een man mocht dat niet meer gebruiken. Ik lachte en zei: ‘Je hebt gewoon hele vieze voetjes.’

Het poolvosje wordt ook een soort geliefde, die je eigenlijk wel in bed zou willen hebben.

Ja en ik vind Anneke een aantrekkelijke vrouw. Ik ben van de mannen, maar ik vind Anneke heel aantrekkelijk. Die spanning vind ik fijn: om als homo te spelen met een andere schoonheid. Dat lees ik niet zo vaak bij homo’s in de poëzie. Je had dus gelijk: het gaat over een beestje èn over een vrouw. 

Engelachtig voorkomen: aan de hemel ontsnapt.

Nee, als je van de dood gered wordt, hoe mooi is dat dan? Misschien is dood wel prachtig. Hoe dankbaar moet je zijn om terug te komen in het leven als je half bevroren bent? Misschien eigenlijk niet.

Er staat niet: weet je dat je de hemel gemist hebt?

Ja, het is dubbel. Je hebt nog een kans in dit leven. Als je zegt ‘gemist’, stop je er meer een mening in, dan wanneer ik ‘ontsnapt’ gebruik.

Past ook beter bij het vosje.

Dat water in de vijver gaat terug op een foto in de krant van een vervuild meer. De dode vissen dreven boven. Je zag geen water meer. Dat beeld heb ik een jaar meegedragen.

Wat je doet in een gedicht is het laten botsen van een aantal beelden. Je laat het gebeuren in je onderbewustzijn.

Min of meer. Ik maak wel bewust de keuzes. Ik schift. De eerste strofe had ik vrij snel. Ik hou veel van ingrepen. Hoe moet ik nu verder? Er stond: ‘Ik nam haar in huis als was zij mijn vrouw.’ Nu moest ik verder. Red je er maar mee. Toen kon ik dat beeld gebruiken van die vieze voetjes. 

Je begint met de vos en zijn vieze pootjes en dan associërend komen de ‘onreine’ voetjes van een vrouw. Het is een collage.

Mijn grote held is Max Ernst. Hij schilderde en hij maakte collages. Kijk, hier zie je een vrouw met grote veren. Veel mannen hebben vleugels van een draak. Aan de wand een schilderij met vallende stenen.

Bij hem hebben die beelden een metaforische betekenis: de vrouw is gevallen bijvoorbeeld. 

Hij is beïnvloed door Freud. Hier heb ik een heel erotische voorstelling. Ik zou er graag een gedicht bij willen maken, maar het beeld is te sterk. Het is al klaar. Je leest wel eens collage-gedichten die niet persoonlijk zijn geworden. Dan is het alleen een techniek.

De strofebouw wordt bepaald door een allinea-achtige structuur. Je begint een nieuwe strofe bij een nieuwe ‘allinea’.

Ik ben hier begonnen met een tweeregelige strofe, maar dat kon ik niet volhouden. Een vorm is wel prettig; die dwingt je om bepaalde keuzes te maken. 
Ik heb nooit gedichten die langer zijn dan één bladzijde. Ik vind het gedicht als beeld belangrijk.

De laatste strofe gaat over verrotting. Als je dat als lezer verbindt met het voorgaande, geeft het de onmogelijkheid aan van die verhouding met die vrouw.

Ik hou ervan in poëzie om de scène te verstoren. Je kunt zeggen: de ik heeft het wezen gered, maar de vissen zijn dood. 

Je wordt geroemd om je voordracht. Hier wacht je even voor de laatste strofe en dan, met een iets lagere stem, komen de vissen. 

Timing is belangrijk. Ik heb het geleerd bij de voordracht in het Gronings. Dan moest ik zorgvuldig lezen, omdat een deel van het publiek het anders niet begreep. Men vond de klanken mooi en toen heb ik de muzikaliteit nog wat versterkt. Tempo, klank en ritme.
Ik hou veel van poëzie: het is taal èn beeldend èn muzikaal. Het nadeel van beeldende kunst maken - ik spreek voor me zelf - is dat ik zo veel bepaal voor de kijker. Kleur, vorm; er blijft niet veel over om in te vullen. Maar als ik zeg ‘blauw’ kun je als toehoorder kiezen uit honderden tinten. Na voorlezingen komen mensen op me af en reageren. De communicatie is veel beter. Dat geeft me de poëzie. Ik raakte als beeldend kunstenaar in een sombere periode die een paar jaar duurde. Het is veel eenzamer. 

In het gedicht ‘Onze slaapkamer’ begin je met een kinderlijke formulering: ‘Dan is onze slaapkamer een hotelkamer / en jij bent de nachtportier en dringt met een sleutel / m’n kamer binnen om me te verkrachten. / Ik lig te slapen. Jij bent een neger.’ Het gedicht gaat over het spannend maken van seks, met behulp van de fantasie.

Ik ken vrouwen die zo’n fantasie toegeven. Zelfs lesbiennes. Fantasie is veilig. Daar kun je niemand op afrekenen. Het staat los van de werkelijkheid. Niets is zo fascinerend als seksuele behoeftes van mensen. Wanneer je afspreekt: we gaan een verkrachtingsscène doen, dan spreek je ook af dat je het moet horen als ik te ver ga. In een echte verkrachting gebeurt dat niet.

Maar je weet hoe dit gedicht eindigt: ‘En mocht ik mij verzetten / pak me dan maar hard aan.’

Dat is het dubbele. Hij wil eigenlijk dat de ander het spel voorbij gaat. Daar moeten mensen altijd verschrikkelijk om lachen. Het is natuurlijk een hysterisch gedicht, omdat in feite  de ik-persoon de verkrachtingsscène wil, maar hij denkt er ook nog een heel hotel bij. Een cliché-hotel.

Hij herhaalt: ‘En denk erom, / je bent een neger.’ Hij zegt niet: ‘je hebt een grote lul.’

Dat zou niet goed zijn. Dan vul je het te veel in. De lezer heeft zelf dat cliché-beeld al bedacht.
En het exotische. Heel veel blanken fantaseren over seks met een donkere partner. Het woord ‘neger’ is een taboe. Ik heb wel eens voorgelezen en toen zag ik een donkere man zitten. Toen durfde ik het niet voor te lezen. Een andere keer zat er een donkere vrouw en ik dacht: nou, toch maar proberen. Ze moest verschrikkelijk lachen. Een andere vrouw zei: ‘Ik vind het een pijnlijk ontroerend gedicht.’ 

====


Eerder verschenen in het blad Schrijven






Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen