vrijdag 25 januari 2013

Ester Naomi Perquin: Nachtkastjesgeur



Nachtkastjesgeur

Ester Naomi Perquin (Utrecht 1980) groeide op in Zierikzee en woont in Rotterdam. In 2006 studeerde ze af aan de Amsterdamse Schrijversvakschool met als hoofdrichting poëzie. Ze was gevangenbewaarder om haar studie te bekostigen. 

Perquin is sinds 2008 redacteur van Tirade. Ze schrijft columns voor de Groene Amsterdammer en radioverhalen voor VPRO's De Avonden. Op Gedichtendag 2011 werd ze benoemd tot Stadsdichter van Rotterdam.

In het voorjaar van 2007 debuteerde ze met de dichtbundel Servetten halfstok (2007) (Debuutprijs van het tijdschrift Het Liegend Konijn; de 4e Eline van Haarenprijs 2008 voor de beste bundel van een dichteres tot 35 jaar; genomineerd voor de C. Buddingh'-prijs 2007 en de Jo Peters Poëzieprijs 2008.)
Haar tweede bundel is Namens de ander  (bekroond met de Jo Peters Poëzieprijs 2010, de J.C. Bloem-poëzieprijs 2011   en genomineerd voor de Hugues C. Pernath-prijs 2009 )
Voor haar beide eerste bundels won Perquin de Lucy B. en C.W. van der Hoogtprijs 2009, en ze ontving in 2010 voor haar oeuvre de driejaarlijkse Anna Blaman Prijs voor schrijvers met een binding aan Rotterdam.
Haar derde bundel Celinspecties verscheen onlangs.



Risico's

Onze gebruikelijke kamer. Geheel volgens afspraak richten de muren
zich op. Het raam ontvouwt, compleet

met gesloten gordijnen. Dit zou het begin van de nacht kunnen zijn
of het eind van de dag. Vormvast schemerdonker,

wat grappen over daglicht dat minder en minder verdraagt. De geur
van hout en overrijpe mandarijnen.

Kijk, daar komen de kastjes tevoorschijn, het tweepersoonsbed
tekent zich af met de lakens en dekens,

de sprei met de vlek ligt precies waar hij lag. Eenmaal beneden
hernemen we onze gezichten, schuiven we aan

en het uitzicht vult de kozijnen: landerijen, drie wankele bomen.
We weten al lang wat we nu zullen nemen:

het voorgerecht dat steevast tegenvalt, de biefstuk en de appeltaart.
We zijn ouder geworden, kunnen inmiddels

iets beters betalen. Het regent hier de meeste dagen van het jaar.
Het grootste gevaar dekt ons toe

met dezelfde plek, dezelfde kamer. We wagen ons gewoontes in,
hebben ons lief. We herhalen.



Het gedicht bestaat uit negen disticha, waarbij telkens de tweede regel ongeveer de helft van de eerste is. Heb je dat bewust zo geschreven?

Je weet niet altijd precies wat je doet. Het gedicht ontstaat en zoekt zijn eigen vorm. De eerste strofe eindigt met ‘compleet’ en die vorm werd in de andere strofe herhaald. Het gaat ook om herhaling.

De eerste zin heeft geen werkwoord. Je valt met de deur in huis. In een gedicht zou: ‘Dit is onze gebruikelijke kamer.’ niet passen; te prozaïsch.

Maar zo zeg je dat ook, stel ik me voor, met zo’n verkorte vorm. Een nuchtere, maar ook wat droevige constatering.

‘richten de muren zich op’: zo doet dat zich aan de personages van het gedicht voor, alsof ze omhoog komen.

Het lijkt een decor. Je kunt denken aan een filmdecor dat wordt opgebouwd. Ze kunnen ook weer vallen.

‘Het raam ontvouwt’; niet ‘ontvouwt zich’.

Dit lijkt actiever, dwingender.

‘met gesloten gordijnen.’

Ja, dat is zo in hotels. Men laat de gordijnen dicht om een intieme sfeer te suggereren. Het heeft ook iets erotisch. Je kunt meteen op het bed neervallen. Dat is bewust beleid. Misschien ook wel om het meubilair te sparen voor het zonlicht. 
Je moet je thuis voelen in een hotel. Vandaar de welkomstwoorden tegenwoordig op het beeldscherm. Tegelijk is er weinig treuriger en eenzamer dan een hotelkamer. Het is onpersoonlijk. Iedere nacht andere mensen onder dezelfde reproducties van Monet of Renoir of nog erger.

‘Vormvast schemerdonker’; weer een woordgroep zonder werkwoord. ‘schemerdonker’ lijkt eerder diffuus.

Het is constaterend, bijna saai. Welbewust. ‘Vormvast’ want alles zit vast in zijn vorm. Tegelijk zijn de meubels in zo’n soort hotel hoekig: nachtkastjes, rechthoekig bed en een vierkant tafeltje.

Je hebt het ‘daglicht’ gepersonifieerd.

De uitdrukking is natuurlijk: ‘dat verdraagt het daglicht niet’, waarbij ‘dat’ het onderwerp is. Ik begreep dat als kind verkeerd en dacht dat het daglicht iets niets verdroeg, wat natuurlijk vaak zo is als je je tenminste op het standpunt van het daglicht stelt. Er is zo veel dat het daglicht liever niet ziet. Ik dacht als kind ook dat ‘houd de dief’ was: ‘houten dief’.

Het is een dichterlijke eigenschap om de dingen te personifieren. Dichters kunnen medelijden hebben met een verwarming die achter een bank staat en die nooit de kamer kan zien. Het is een een kinderlijke eigenschap die ze niet hebben verloren.

Die twee die de kamer binnenkomen maken grappen over dat daglicht om de sfeer te ontkennen, de sfeer van treurnis.

‘De geur / van hout en overrijpe mandfarijnen.’ Nachtkastjesgeur.

Ja, zo ruikt het daar. Ik vind overrijpe mandarijnen ook heel erg. Misschien wel opgeroepen door oranje spreien of de vorige ‘bewoners’ aten mandarijnen.
Het heeft iets van verval, van verloren erotiek. Men zegt van vrouwen dat ze overrijp zijn, nooit van mannen. 

Langzaam ontvouwt zich de kamer, alsof er een camera langs gaat, in slow motion.

Ja, het gedicht ontvouwt zich. Het geheel wordt je bijna ingepeperd. Het is slag op slag.

‘de sprei met de vlek’: dat hoeft geen sperma te zijn, kan ook een koffievlek zijn.

In goedkope hotels wordt zo’n sprei niet gewassen, niet vervangen. Het stel ziet de bekende vlek. Ik heb gewerkt als kamermeisje en ik weet dat zulke spreien lang kunnen blijven liggen en dat de vlek zelfs op dezelfde wijze op het bed ligt. Het kan ook niet anders.

Dan gaan ze naar beneden en hun gezichten zitten weer in de plooi.

Wat is er gebeurd op de kamer? Zijn er verwijten geweest? Waren ze boos op elkaar?
Of dát zelfs niet meer.
En dan gaan ze naar beneden. Ze trekken weer hun sociale gezicht. Niets aan de hand. Het gaat prima met ons. Ze gaan aan de bekende tafel zitten.

‘het uitzicht vult de kozijnen’: weer die personificatie. Het is een treurig uitzicht.

Ze eten wat ze altijd eten, ook al weten ze dat het tegenvalt. Waarom kiezen ze nooit iets anders, de kaart bevat meer gerechten, maar nee, ze eten het bekende. En ze eten dat waarvan ze denken dat rijke mensen het eten: biefstuk. Dat eten ze thuis niet. En appeltaart. 

Je kunt nog denken aan bloed en zoet.

Ze kunnen zich langzamerhand iets duurders veroorloven, maar nee, ze gaan elk jaar naar het zelfde hotel, eten hetzelfde gerecht. Het is als hun huwelijk. Dertig jaar. Het gedicht gaat over een stel van wie ik hoorde. Het huwelijk als sleur. Iemand zei dat zo’n huwelijk risicoloos was. Dezelfde vrouw, dezelfde man, dertig jaar. Maar dat is van een hoog risico! Je verspeelt je geluk. Van de een naar de ander wippen; dat is risicoloos. Dat is gemakkelijk. Je verveelt je dan niet.

Don Juan verveelde zich uiteindelijk ook. Al die vrouwen, dat is allemaal hetzelfde.

Ja, maar dit lijkt minder gevaarlijk. Uiteindelijk is een dergelijke situatie dodelijk voor je gevoelsleven: ‘Het grootste gevaar dekt ons toe’. Het lijkt veilig, we worden afgedekt.

‘We wagen ons gewoontes in’?

Ja, ze hebben het lef om gewoontes toe te laten. Dit is dubbelzinnig. ‘hebben ons lief’; dat wil zeggen: we houden ons bij elkaar. Misschien ook om voor de buren een eenheid te blijven. Het gaat goed hoor! ‘We herhalen’. Daar is ook weer gek genoeg moed voor nodig.

Nog even over de vorm: had het ook zó gekund: zeven disticha. De eerste strofe eindigt met ‘gesloten gordijnen’; het tweede met ‘minder’ etc.

Enjambementen kunnen willekeurig lijken, maar bij nader inzien ben ik toch blij met de bestaande vorm. Het herhalende komt er beter mee uit. Ik heb ook wel gedacht: zijn er niet te veel herhalingen? Het gaat maar door. Maar dat past natuurlijk goed bij het thema van het gedicht. Het is gruwelijk.

Je schrijft ook columns voor De Groene. Denk je dat je naar proza toegroeit?

Ik wilde vroeger natuurlijk de vuistdikke roman over liefde en dood schrijven, maar voorlopig kan ik dat niet. Ik ben een korte-dingetjes-schrijver. Columns passen daar goed bij. Misschien publiceer ik ooit korte verhalen.

Weet je wanneer iets een gedicht wordt en wanneer een column?

Ja, voor een column moet je iets meemaken, wat je wil vertellen. Iets eenvoudigs, alledaags misschien, een waarneming. Ik sta bijvoorbeeld achter een volumineuze dame in de supermarkt en die rijdt tegen een stelling op met tomaten. Al die tomaten rollen over de grond en zij doet geen enkele moeite om dat te herstellen. Ze doet alleen moeite met dat dikke lijf en dat enorme achterste om tussen de rollende tomaten te stappen. Ik sta daarachter en denk: wat is dit? Waarom fascineert mij dat? Zo iets wordt een column.
Bij een gedicht vertrek ik vanuit een gedachte of vanuit taal.
In dit gedicht was dat: ‘de sprei met de vlek’. De gedachte van treurige herhaling in een langdurige relatie.

Maar het begon dus met een beeld.

Beeld en gedachte zaten aan elkaar vastgekleefd.

Een gedicht valt je toe. Vroeger hadden we het over de muze die haar gunsten al of niet verleent. 

De muze kun je lokken. Je kunt ook gedichten in opdracht schrijven.

==

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen