zondag 5 februari 2012

Rense Sinkgraven


Poëzie gaat bijna verder dan filosofie
Rense Sinkgraven (Jacobiparochie, 1965) studeerde filosofie in Groningen. Hij is werkzaam als organisator van literaire bijeenkomsten en cursussen.
Werk van Rense Sinkgraven verscheen in diverse bloemlezingen en werd gepubliceerd in de tijdschriften Krakatau, Passionate en Tzum. Hij draagt regelmatig voor op landelijke podia. In 2007 werd Sinkgraven benoemd tot stadsdichter van Groningen.
Hij publiceerde Bombloesem(2005) en Sloop de stad met tedere woorden(2009)
Ik droeg een geweer
Ik liep door een bos.
Er was een huis dat ik niet zien kon.
De uil bewaakte haar jong.

Ik droeg een geweer.
Ik droeg een geweer.
Ik doodde wat voor mijn loop kwam.
De torren liet ik met rust en zij mij.

Waar was het huis?
Waar was het meer?
Zo diep en vol blinkende vissen.
Haal het net binnen, rijk is de buit.

Het zwartbruine water.
Ik hoorde een moeder.
Zij zong van een vogel.
Ik doodde de vogel.

Ik vermoordde het lied.
Ik kwam bij het huis.
Ik keek door de ramen.
Het gezin zat tezamen en bad.

Ik weende.
Wat me opvalt bij dit gedicht zijn de korte regels. Elke regel is een zin. Dan krijg je een staccato-effect.
Klopt.
Mededelingen over wat de ik-figuur ziet. Er is dreiging. Je herhaalt de laatste regel van de eerste strofe aan het begin van de tweede.
Het is staccato omdat ik graag wil dat de lezer als het ware meelooptmet degene die het geweer draagt. Je gaat in de pas van die man mee.
Ik vond het mooi om dat dreigende te herhalen. Dat is niet zo bewust gedaan, zo van ‘nu ga ik het herhalen’, maar het is op gevoel. Nu is het mooi om het nog eens te herhalen. Ik wilde die dreiging handhaven.
Je bent begonnen met een kwatrijn en dan ga je door met kwatrijnen.
Na twee strofen denk ik: dit werkt voor mij in dit gedicht heel goed en dan hou ik het vol. Dat loopt goed.
Is er ook een esthetisch, visueel argument?
Ja, ik ben een estheticus. Ik hou niet van te lange regels tussen korte. Dan is het plaatje niet mooi. Hoe ziet het gedicht er uit op papier?
In dit gedicht zit je met een ritme dat er voor zorgt dat je de zinnen niet lang kunt maken. In de derde strofe moet je vanaf regel twee behoorlijk snel lezen om in het ritme te blijven, maar zo lees ik het altijd. Het kan niet langer, want dan loopt het gedicht niet goed meer. Als ik aan het schrijven ben, lees ik het altijd hardop voor en dan luister ik of het goed gaat. Ritme is heel belangrijk.
Gaat het zo ver dat het metrum wordt? Hier is het heel jambisch.
Ik kijk nooit naar het metrum. Ik kijk meer naar de muzikaliteit van het gedicht. Ik zoek niet naar beklemtoonde lettergrepen. Ik ken het technische verhaal wel, maar als ik dicht, sta ik daar niet bij stil. Ik let op muzikaliteit. Loopt het? Als ik merk dat het niet loopt, ga ik wel kijken. Hoe kan dat? Dan moet ik misschien iets doen aan het metrum.
Omdat ik al lang poëzie schrijf, weet ik of het goed gaat.
Je loopt in het ritme van de klemtonen.
Het is een soort mars.
Schrijf je eerst in handschrift?
Nee, vroeger wel, maar nu meteen op de computer. Ik voel me vrijer op de computer nu. Het gaat sneller en je ziet meteen hoe het op papier staat.
‘De torren liet ik met rust en zij mij.’ Hij ziet alles.
De torren zijn een metafoor. Misschien moet ik dat niet uitleggen. Het gaat ook over de dood, de dood zelf. De torren vreten ons. Hij laat de dood zelf met rust. Hij wordt ook nog niet gedood. Er is het oog voor detail, voor alles. De verwijzing naar de dood moet subtiel blijven.
Dat wist je toen je het opschreef?
Ja.
Je wist ook al, toen je bij de tweede strofe was, waar het over ging?
Ja.
‘Waar was het meer?’ Dat meer is nog niet genoemd.
Nee. Het is voor mij een droomachtig gedicht. Het begint meteen. ‘Ik liep door een bos.’ Geen inleiding. In een droom heb je die sprongen.
Het is eigenlijk een nachtmerrie. ‘Waar was het meer?’ Ineens is het daar. Ik kan misschien beter niet zeggen waarom ik er dat heb ingestopt. Wat ik er over kan zeggen is dit: er zitten allerlei religieuze connotaties in. Het eindigt met het gezin dat tezamen zit en bidt.
De vissen, het meer van Genezareth. ‘Haal het net binnen, rijk is de buit.’
Dat moet maar niet in het interview. Je moet de magie van het gedicht niet te veel uitleggen. Nu denkt de lezer: waar gaat het over? Maar als ik zeg: dat heb ik bedoeld, dan is het jammer voor het gedicht. Toch?
Nee, dat ben ik niet met je eens.
Ik vind dat wel.
Wel ben ik er mee eens dat het gaat om wat er staat.
Je kent Richard Feynman, de natuurkundige. Hij heeft het over de schoonheid van een zonnebloem en dat legt hij uit op een exacte manier, waarom die bloem mooi is. Zijn gesprekspartner zegt: ‘Nu is de magie er uit’. ‘Nee’ zegt Feynman en wijst op de fibonacci-reeks onder andere. Het mysterie van de schoonheid wordt alleen maar dieper of groter.
Ik ken het. Ik begrijp het, maar mensen lezen het gedicht zonder de uitleg en worden verrast, zoals jij ook, door de regel ‘Waar was het meer?’
Na de verrassing gaat de lezer er over nadenken. Hij gaat lijnen trekken, van het meer naar de vissen en tenslotte het gebed.
Misschien denk de lezer aan het onderbewuste: het meer, het zwartbruine water met de blinkende vissen. Miischien denk hij ook aan het gedicht van Nijhoff: ‘Ik zou een dag uit vissen’.
Ik ken het gedicht. Dat zit allemaal in je hoofd en dat gaat meespelen. Alles wat je gelezen hebt, draag je mee.
Krijg je de assonantie cadeau?
Ik heb er over nagedacht, de techniek. Ik denk dat ik, omdat ik veel gelezen heb, die dingen opschrijf en denk: o ja, assonantie. Dat doe ik niet bewust, maar later ben ik er blij mee. Het binnenrijm bijvoorbeeld: hoorde – vermoordde en ramen – tezamen. Op de een of andere manier zit dat in mijn brein.
Tegenover de i van de vissen staat het ‘zwartbruine water’.
Daar heb ik wel even over nagedacht. Dat weet ik nog. Ik dacht over de kleur van het water. Wat is een goede kleur in dit gedicht?
‘Zij zong van een vogel. / Ik doodde de vogel’ Een tegenstelling.
Aan de basis ligt een mooie herinnering. Afscheid van een jeugd?
Ja. Het kan ook zo zijn dat wat zij mooi vindt, hij gelijk vermoordt.
De vogel wordt gedood. Het lijkt een extreme reactie op die moeder.
Met dat lied is de ik-figuur klaar. Hij wil het niet meer horen.
Hij gaat zijn eigen weg.
Ik laat het in het midden. Het zou kunnen zijn dat hij denkt: maakte ik daar nog maar onderdeel van uit, van het tezamen zitten. Waarom huilt hij? Huilt hij omdat hij er niet meer bij hoort? De titel is ‘Ik droeg een geweer’. Wat gaat hij doen? Het slot blijft open.
Je schrijft: ‘Ik weende.’
Dat is bijbels. Er is geween en tandengeknars. Ik vind het belangrijk dat de lezer de religieuze connotatie er uit kan halen. Ook bij de derde strofe.
Ik kan precies uitleggen waarom ik het zo geschreven heb, maar dan is het voor de lezer niet meer leuk.
Wat de techniek betreft: soms heb ik het idee dat de dingen worden gegeven. Je bent bezig en dan komt het. Ik ben altijd met poëzie bezig. Ik ben het met Mulisch eens: af en toe krijg je dingen. Het komt uit je bagage, onbewust.
Ik heb wel eens een gedicht moeten hernoemen omdat bleek dat de titel al bestond. ‘Het karige maal’. Dat was de titel van een bundel van Miriam Vanhee. Beïnvloeding op de achtergrond. Het werd ‘Het sobere maal’. Jammer.
In mijn nieuwe bundel, waarmee ik bezig ben, komen meer religieuze componenten voor. Dit gedicht past daar heel goed.
Het gedicht dat Frank Boeijen op muziek heeft gezet, ‘Genade’ (‘Een vorm van gerechtigheid’), hoort er bij. Daarin gaat het over de vader.
Mijn filosofie zit vaak in mijn poëzie. Ik ben opgegroeid in de Angelsaksische filosofie. Als je een logisch systeem hebt en je stuit op een paradox, is je systeem kapot, maar dat is het fijne aan poëzie. Je kunt alle paradoxen en tegenstrijdige feiten in een gedicht inbouwen. Dan blijft het prachtig. Poëzie gaat bijna verder dan filosofie.
========
Eerder verschenen in het blad Schrijven

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen