zaterdag 13 juni 2015

Ruth Koops van ‘t Jagt Etude





Ruth Koops van ‘t Jagt (Assen, °1985) was in 2001 één van de tien winnaars van Doe Maar Dicht Maar. Ze studeerde Nederlandse Taal & Cultuur en Psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. In het studiejaar 2006/2007 was ze huisdichter van deze universiteit. Na haar huisdichterschap nam ze plaats in de redactie van Doe Maar Dicht Maar, waar ze gedichten
van jonge dichters selecteert. Nu is ze PhD student ‘Begrijpelijke taal in gezondheidsdocumenten’ in het IROHLA-project.
 Ruth Koops van ‘t Jagt & Lieke van den Krommenacker wonnen  in 2013 het Hendrik de Vriesstipendium.  Zij publiceerden eind 2014 de novelle Hogelandlopers en werken nu aan een hoorspel.





Etude

I

Je kust de vloer alsof je niet gevallen bent
het hout staat in splinters op je lippen die je in je slaap sluit
en opent als een baby

ik snijd de soepgroenten kleiner je bent het slikken niet verleerd
integendeel – je turft de slokken in blauwe inkt alsof je het wachten telt
op later

II

Je tilt de lepel als een jong vogeltje je blaast
niet liever nog dan dat brand je je grote handen
aan stilzwijgen laat je de morsige liedjes van
de radio de tafel vullen –

zolang ik nog elke avond het zand uit je broekzak klop
strijk ik de kreukels in de dag plat volg ik met mijn vingers
de blauwe strepen op het behang

ze zijn kouder dan ik hoopte maar nog knoop ik
geen wollen vest om je schouders draag ik niet
de laatste kastanjes terug naar het fornuis

III

Ik weet niet waarom ik de boom laat staan

***

Een etude is een oefening. Er is een jij-figuur die gevallen is op een houten vloer, nogal hard, maar hij doet alsof het niet zo is. Hij is waarschijnlijk een oudere man, die niettemin iets hulpbehoevends heeft. De ik-figuur zorgt voor hem, maar er iets van een worsteling. Het is niet zo’n gemakkelijk gedicht.

RKJ: Nee, het hoort eigenlijk bij een ander gedicht ‘Ballade promille’ en als je dat leest, wordt het duidelijker. In dit gedicht is een dochter aan het woord en in het andere gedicht een vader. Je kunt de gedichten los van elkaar lezen. Dit gedicht heb ik geschreven in een periode waarin ik op zoek was naar een wat grimmiger poëzie. Ik schreef lichtere gedichten, dansend, en ik wilde me graag ontwikkelen als dichter en wilde op zoek naar waar het schuurt. Bij mij begint het vaak met het idee van een beeld. Hier een vader en een dochter, waarbij de vader langzaam ten onder gaat aan een alcoholverslaving en waarin de dochter een zorgende rol voor de vader krijgt.

Hij probeert er van af te komen: ‘je turft de slokken in blauwe inkt’.


In ieder geval worstelt hij er mee.

Je gebruikt geen interpunctie. Dat wordt moeilijk bij de tweede en derde regel van II.


Het enjambement is belangrijk. ‘je blaast / niet … liever nog dan dat brand je je grote handen’. De vader wil een beeld van stoerheid overeind houden. De liedjes zijn morsig; dat rijmt met de hele situatie. ‘de blauwe strepen’: dat is een terugverwijzing naar het turven in I.
Zij is zorgzaam, maar ook boos. Hij is misschien wel vanuit een dakraam in die boom geklommen. Het is een concretisering van zijn roekeloosheid. Als zij de boom laat staan, kan hij weer roekeloos zijn.
Ik wilde onderzoeken of ik gedichten kon schrijven die wat verder van me af liggen, waardoor er vanzelf meer aandacht komt op de taal. Je neemt een beeld, een verhaal als uitgangspunt en dat stop je in een gedicht. Ik begin dus met een beeld in mijn hoofd en bepaalde personages, waar ik in kruip en die ik een stem geef. Dit is geen persoonlijke ervaring. Ik zoek naar treffende, kleurgevende beelden, die betekenis geven. Ik vermijd de grote woorden als ‘liefde’ en ‘zorg’. De beelden moeten die begrippen oproepen. De beelden moeten herkenbaar zijn, maar ze mogen niet te veel voor de hand liggen. De dochter snijdt de soepgroenten nog eens.

Je hebt onderzoek gedaan naar enjambementen met behulp van oogbewegingen van de lezer en toen bleek inderdaad dat de lezer vooral bij retrospectieve enjambementen (zoals bij ‘blaast / niet’) langer hangen blijft. Schreef je dit gedicht voor of na het onderzoek?


Er voor. Ik vind enjambementen interessant omdat ze mij als dichter de mogelijkheid geven om meer met betekenissen te spelen. Je kunt betekenissen omkeren tijdens het lezen zelf. 

Je schrijft ook verhalen. Heb je een voorkeur voor proza of poëzie?


Ik denk dat dat per periode verschilt. Op dit moment vind ik de mogelijkheden van proza interessant. Daar valt nog veel voor me te ontdekken.

Speelt daarbij een rol dat proza beter verkoopt dan poëzie?


Nee, tenminste niet bewust. Ik vind het interessant om te onderzoeken hoe je een verhaal construeert. Ik zou ooit wel een roman willen schrijven. Ik ben nog met etudes bezig. In poëzie staat het spel met de taal op de voorgrond en in proza gaat het om personages, structuur van de vertelling en perspectief. Op de Schrijversschool in Groningen heb ik de cursus scenarioschrijven gedaan, omdat ik meer wilde leren over hoe je een verhaallijn opbouwt en hoe het zit met plots en spanning.

Kun je de lezers van dit blad een advies geven?

Ik heb er twee en ze zijn beide afkomstig van Esther Jansma. Ik heb een serie werkcolleges bij haar gevolgd toen ze in Groningen gastschrijver was. Ze gaf ons een heel concrete opdracht waar ik veel aan heb gehad. Zoek een gedicht dat je mooi vindt, dat je raakt en schrijf er een tegengedicht bij. Dat kan op verschillende manieren. Ik koos een gedicht van Tsead Bruinja dat ging over naderend ouderschap en ik heb een tegengedicht gemaakt door vanuit het perspectief van een ongeboren baby te gaan schrijven. Dat is een mooie oefening, want je begint met iets concreets en je hoeft niet vanuit inspiratie aan de gang te gaan. Het is ook een oefening in lezen. Je moet het bestaande gedicht goed lezen en je afvragen: wat staat er eigenlijk. Hoe kan ik daar op een goede manier mee aan de haal gaan?
De tweede is: vermijd grote woorden als liefde of verdriet of angst, maar laat dat zien met beelden die op de een of andere manier voor iedereen herkenbaar zijn, zonder dat ze voor de hand liggen.
Stel dat je wil schrijven over het verdriet van een vrouw die net haar man heeft verloren. Beschrijf dan bijvoorbeeld hoe op de modderige begraafplaats haar witte sokken besmeurd worden door zwarte vlekken en hoe ze wegzakt met haar hoge hakken. Dat heb ik goed onthouden. In het gedicht ‘Etude’ vind je dat terug. Esther gaf heel goede feedback. We moesten ook een keer een verhaal uit de bijbel nemen of uit een mythologische vertelling. Het werken aan de hand van zo’n concreet uitgangspunt is heel goed. Je hebt een kader waarbinnen je kunt werken. Je moet niet wachten op inspiratie. Ga maar aan het werk.
Een paar weken geleden heb ik een verhaal gepubliceerd op online tijdschrift ‘hard//hoofd’ en daarbij had ik heel sterk een beeld van een vader en een dochter. Daar heb ik kennelijk wat mee. Wat er onder zat was dat ik ooit een stuk las in de UK (Universiteitskrant). Dat ging over studenten die uit families kwamen waar niemand gestudeerd had. Er was veel onbegrip bij de families. Wat doe je daar eigenlijk? Dat vond ik een interessant uitgangspunt. Daar ga ik dan mee bezig in mijn hoofd en dan zoek ik passende beelden, zoals de vader die zeeman is en op het wad droogvalt met zijn schip, overboord klautert en kokkels uit het zand wipt, opent met zijn mes en leegslurpt.

Hoe ben je eigenlijk universiteitsdichter geworden?


Je moest 5 gedichten opsturen, waarvan een over de stad Groningen als studentenstad moest gaan en je moest een motivatiebrief schrijven en dan is er een jury die iemand kiest. Er waren dat jaar een stuk of acht inzendingen geloof ik. Na afloop schreef ik een bundeltje met alle gedichten. Gilles Dorleijn schreef een voorwoord. Ik weet niet of de bundel er nog is. Misschien ligt er nog een doos in de kelder bij de UK. Als ik die gedichten lees, denk ik: o, dat zou ik nu heel anders doen.
Esther zei ook tegen ons dat je je eigen gedicht moet voorlezen om te horen hoe het ritme is en of het past bij je ademhaling. Als je alleen maar stil leest, lukt dat niet.

Je moet ook proberen op te treden, want lezen voor publiek geeft nog meer feedback.
Je houdt veel van de wadden en de zee. Is dat ook een manier om op een gedicht te komen?

Ja, lopend langs het strand van Ameland kom ik op veel ideeën.

==
Eerder verschenen in het blad Schrijven

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen