zaterdag 17 augustus 2013

Kasper Peters - Het is een spel met woorden (mei 2013)



Kasper Peters (1973) trad en treedt op als podiumdichter. Hij publiceerde ‘Hellevaartsdagen’ (2004) en ‘Kanaalkoorts’ (2009).
In juni komt een derde bundel uit:

Hij geeft vaak poëzielessen op scholen, wordt daar ‘de brommerdichter’ genoemd en werkt al veertien jaar in De Mesdagkliniek in Groningen met gevangenen.



Schilderij in stilte.






Slapen in de stilte is een bijzonder ontwaken.
Zwijgen in een wereld vol ideeën een last.

Kan je in het midden van de nacht aan vragen denken?
Gedeelde schoonheid is dubbele schoonheid.

Een schilderij op de muur voor veel ogen
kan gaan bewegen als een tuin
die draait in het zonlicht rond het huis.

Wij kijken naar een wereld, naar een  kleur op een muur
die daar gisteren nog niet lag.
Zie je dat, dan valt je morgen weer iets anders op.

Ik had die kleur niet gezien als iemand zijn schilderij
in een kluis had bewaard en niet begrepen dat
bijen onze goden zijn.



Kasper: Dit gedicht heb ik geschreven naar aanleiding van een EO-programma op de radio. Je moet dan een gedicht schrijven in een uur. Het ging over een echtpaar dat kunst verzamelde en er was sprake van een tuin. Ik kijk wel van te voren wat de onderwerpen zijn, zodat ik gegevens kan verzamelen.

Die eerste regel is geheimzinnig. De tweede regel is gemakkelijker: als er veel ideeën zijn, is zwijgen moeilijk. De derde regel is een goede vraag. Gedeelde schoonheid...

Dat is een grapje. Ik las bij Louis Paul Boon ‘gedeelde smart is dubbele smart’. Dat vond ik mooi. Je moet niet altijd je zorgen delen, want dan zitten anderen er ook mee opgescheept. Met schoonheid is dat wel mooi.

De derde strofe gaat over het schilderij dat veel mensen kunnen zien; het gaat als het ware bewegen. En daarna gaat het over de kleur en over dat je bij een goed schilderij steeds iets anders opvalt.


Ja, dat is zo.

Er is een tuin en er zijn dus bijen en die zijn heel belangrijk voor ons voortbestaan.

Ik vind het belangrijk dat het voor een groot publiek te begrijpen is, maar ik moet het zelf ook leuk vinden om te schrijven. De eerste zin is een J.C.Bloem-zinnetje, zo’n oneliner. Dat trekt de lezer hoop ik naar binnen.

Slapen in de stilte levert een bijzonder ontwaken op?


Ja zo iets. Mijn nieuwe bundel komt eind juni uit. De uitgever wilde eerst printing on demand, maar dat lijkt me niet mooi. Je bent er toch een paar jaar mee bezig. Dan moet het op papier. Ik denk dat de bundel niet zo geschikt is voor een groot publiek, maar ja ik vind het hartstikke leuk om te schrijven. Ik hoop dat er twee-, driehonderd mensen zijn die het ook mooi vinden.

Waarom schrijf je gedichten? Omdat het van je zelf moet toch?


Het is gewoon leuk om te doen! Ik loop rond en schrijf zinnen op. Soms heb ik zes gedichten over een onderwerp, maar ik kies er maar één voor een bundel. Ik vind het mooi als een lezer aan het eind van een gedicht denkt: aha, zó zit het. Je moet niet precies zeggen wat je bedoelt. Dat moet de lezer er zelf uit halen. Dat is een extra spel-element.
De bundel ‘Kanaalkoorts’ is heel mooi uitgegeven. In een café ontmoette ik twee mannen met geld. Ze zeiden: ‘Als je een goede reden heb om geld bij ons te verdienen, dan geef je maar een gil.’ Die bundel wou ik op mooi papier en een goede drukker, maar dat kostte veel geld. Toen heb ik die mannen gevraagd. Ze gaven me een opdracht. Ik kreeg anderhalve week de tijd, hard werken en dan betaalden zij wat ik nodig had. Ik ging naar de plek van de huizen die verkocht moesten worden om rond te kijken. Er stonden grote iepenbomen waar de buurt last van had. Officieel kunnen die bomen maar dertig of veertig jaar staan. Die bomen waren geplaatst als bruidsschat bij een boerenbruiloft. Het hout werd gebruikt in de klompenmakerij. Ik schreef stukken voor hun reclamebureau en ze waren tevreden. Ik kreeg het geld voor de bundel. Liever verkoop ik me niet.

Je geeft veel les op scholen?

Ja. De scholen bellen mij na al die jaren. Soms is er geen geld, dan doe ik het gratis. Ik verdien iets bij Mesdag en ik speel af en toe een rollenspel voor onderzoek en ik geef wat les bij Academie Minerva. De meeste tijd ben ik aan het schrijven. Ik werd gevraagd voor een Piratenfestival, maar op de poster mocht niet staan dat ik een dichter was. Te elitair of zo? ‘Maak er maar rapzanger van’ zeiden ze. Ik zat met zestig kinderen in een tent gedichten te schrijven en daarnaast was er Nederlandstalige muziek.
Voor de nieuwe bundel heb ik drie bekwame lezers die me adviseren. Het gaat soms over woorden of regels, soms over de samenstelling. Er zijn drie soorten gedichten. Dat worden aparte afdelingen. Het zijn allemaal keldergedichten.

Kelder

Schil de muur, vang de diepte
cijfers in de uren.
De som ligt te wachten op een zet.

Een kamer beschrijven is met een
driehoek de inhoud meten van het moment.

Het is het jaar van de zachte winter
die me wakker houdt.
Tel de ruimte en zing de ruimte.

Elke muur opnieuw een schaap
in de schapen de herhaling van de muren.
Roem rust, roem rust.

De crisis waait, het publiek roept
buiten om de uitverkoop.
Ik ben lui en koester de leegte.

Al moet ik honderd muren zien
honderd schapen laten grazen.
=

Er stond eerst ‘op het moment’ in de tweede strofe, maar ik vind ‘van het moment’ beter. Dat zegt meer.

De muur schillen?

Hier zit iemand in een kelder, een lege vierkante ruimte zonder zonlicht. Hij wil er uit: de muur afpellen of schillen, laagjes er af halen. In de lege ruimte heb je alleen maar je gedachten en je voorstellingen. De voorstellingen kunnen bloemrijk zijn. Je kunt ze schillen.

Cijfers in de uren?

Dat is het wachten en de tijd. Wat er ook gebeurt, al ben je in paniek, je wilt de situatie voor je zelf ordenen, zodat het voor jou een behapbaar, helder beeld wordt, ook al is het moeilijk.
Ik verander nog steeds. Ik zag dat Harry ter Balkt dat ook deed, tijdens het lezen zelfs.
Ach, het is leuk om te schrijven. Je denkt wel eens: waar doe ik het voor? Zal ik nog een bundel uitgeven? Zitten er mensen op te wachten? Het is een spel, een spel voor je zelf.

Hoe ben je bij de poëzie gekomen?

Ik heb twee antwoorden. Tegen kinderen zeg ik: ik kom uit een dorp zonder speelgoedwinkels. Als je lego hebt zijn op een bepaald moment de stukjes op. Dan kun je een A4-tje neerleggen en dan gewoon verder schrijven hoe het eruit moet gaan zien. Bijvoorbeeld: hier komt een dikke muur, hier komt een groot uitzicht op de sterren. Al die tekeningen en dat lego-en met woorden, heb ik samengevoegd in teksten. Toen ik ging studeren kwam ik jonge dichters tegen en die zeiden: man, je schrijft gewoon gedichten. Daarna moest ik een keer optreden.
Het andere verhaal is: mijn vader schreef gedichten. Ik moest een week logeren bij een oom en een tante. Ze hadden een fabriekje met een grote wasserette. Die mensen waren zo bezig met geld verdienen; ‘s avonds snel even eten. Ik vond dat benauwend. Toen kwam ik weer thuis en ja, er was een scheur in de muur en als het koud was lagen we met zijn allen voor de gaskachel. De ene keer was er weinig geld en daarna waren er allemaal vrienden op bezoek en dan zaten we met z’n allen om de tafel te drinken en te eten en te ouwehoeren, teksten te lezen, biefstuk eten.
Ik was goed in wiskunde en economie en Nederlands was een ramp. Daar begreep ik niks van. Dat is de reden waarom ik gedichten ben gaan schrijven. Iets waar je zo weinig van snapt, wat zo mysterieus is! Dat er een afspraak is van mensen met woorden, dat je het niet hoeft te tekenen, dat je zelfs gevoelens kunt beschrijven! Je kan met een gedicht een schilderij beschrijven, maar je kan er nog veel meer mee doen. Je kunt proberen bedoelingen duidelijk te maken. Je kan hele avonturen beschrijven.

Je leest ook veel?

Ja, ik lees echt veel. Ik hou de poëzie goed bij. Ik vind het wel heel verhalend te laatste jaren. Af en toe denk ik: het lijkt of ze een verhaal met zo weinig mogelijk woorden willen vertellen. Oudere dichters als Ter Balkt en Faverey vind ik soms heel moeilijk. Wel mooi. Je hoeft het niet altijd over de inhoud te hebben. Het kan gewoon mooi zijn. Tonnus Oosterhof kan gaten laten vallen die de lezer maar moet invullen. Spannend. Nijhoff vind ik heel goed. Deze week heb ik een oude druk van Vondel gekocht. Mooi vind ik dat. Naar de kinderen neem ik altijd een 17de-eeuws boek met gedichten van Vondel mee.    Ik haal het uit de doeken en lees wat voor, bijvoorbeeld over de Engelse oorlogen. Die kinderen denken: Engeland? Ja, toen hadden we oorlog met elkaar en Vondel zegt lelijke dingen over de Engelsen. In een klas kreeg ik een keer een paarse fluwelen zak met een grote V er op geborduurd voor dat boek. Dit boek hebben duizend kinderen al in handen gehad. Ik moet naar de Koreaan. Die is gevlucht uit Noord-Korea en woont hier ergens op het platteland. Hij kan boeken restaureren. Die kinderen zeggen: ah, meer dan de helft van de woorden zijn nog dezelfde woorden! ‘de’ is nog steeds ‘de’! Ik wil geen dichter van die kinderen maken, maar ze wel vragen laten stellen, zodat ze ook de politiek later kunnen bevragen. Als je niet hebt leren spelen met woorden, neem je alles voor waar aan.
====
Eerder verschenen in het blad Schrijven

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen