woensdag 12 oktober 2011

Jane Leusink


"Het hoeft allemaal niet zo netjes in de poëzie"


Wij geven het profiel van een wierde hersteld
1
Ergens huilde een man en ik hoorde het niet, nu is het
vandaag ligt een wierde te kreunen onder zijn renovatie
zo onrustig het landschap geen lijk ligt hier lijdzaam
of met gesloten ogen af te wachten
geen staatsieportret van deze plek waar ik opnieuw
in gedachten of voor de zoveelste keer sta
of zitten ga het brood breek of de chocola
vraag ben je al moe mij verstrooi tussen de doden
ik vind het niet nodig dat God hier rondzwerft als vogel
en vleermuis waken want dit is het moment
van de gevleugelde zandloper
maar in deze groene kamer steekt altijd een windvlaag
symbolen de kroon, ik waai in al die onsterfelijkheid
van mij stadwaarts, hoor opnieuw de man
in zijn desolate verte
niet klagen
-
Er staan erg weinig komma’s in het gedicht.
“Het plaatsen van komma’s is altijd een punt. In het gedicht ‘Wij geven het profiel van een wierde hersteld’ staat in de eerste regel wel een komma achter ‘niet’, maar in de derde regel geen komma achter ‘landschap’. Ik ben niet consequent geweest. Er botsen daar hoofdzinnen op elkaar en zonder komma bevordert dat niet bepaald de leesbaarheid van het geheel. Dat laatste vind ik nu belangrijk, je veroorzaakt immers leesproblemen en irritaties bij de lezer. Je hoeft het hem niet op een presenteerblaadje aan te reiken, maar het moet wel leuk en spannend blijven. In een nieuwe uitgave zou ik daar nu een komma zetten.
In de tweede strofe staat: ‘geen staatsieportret van deze plek waar ik opnieuw / in gedachten of voor de zoveelste keer sta / of zitten ga het brood breek of de chocola’. Achter ‘ga’ geen komma. Ik wilde hier die opeenvolging op een lijn hebben, de cadans niet onderbreken; vandaar ook geen komma tussen ‘mij’ en ‘verstrooi’ . Ik zou op deze plekken nu nog steeds geen komma’s zetten, kies hier dus bewust voor de inconsequentie. De zin blijft duidelijk genoeg.
Ik wil geen komma aan het eind van de regel, komma’s trekken de boel naar beneden. Bovendien heeft het wit achter de regel al de functie van komma. Je hoeft hem er niet ook nog eens achter te zetten. Het is visueel storend. K.Michel had het ooit over ‘kriebelige spinnenpootjes’ en toen had ik er al helemaal geen trek meer in.
‘ik vind het niet nodig dat God hier rondzwerft als vogel / en vleermuis waken want dit is het moment […]’.

Achter ‘waken’ een komma?
Nee, hier ook niet, ‘want’ is een voegwoord en vervult prima de functie van komma. Ik wil de eenheid van de zin niet doorbreken.
Overigens, rappers gebruiken ook geen komma’s, zij bepalen zelf het ritme in een stroom van woorden en hebben geen zin zich door zoiets als leestekens te laten bepalen.
Ik erger me inmiddels wel aan sommige regels in mijn gedichten. Hoe zit het nu eigenlijk? In het voorleesexemplaar van de bundel heb ik op p.25 overal komma’s gezet, omdat ik het anders niet kon voorlezen. Dat geldt vast nog meer voor de lezer. Hij moet op een niveau aan het werk dat niet interessant is. Nu zou ik dus wel komma’s zetten. De woordgroepen moeten een beetje botsen. Het zijn uitgewerkte vergelijkingen. Een voorbeeld: ‘’gegrift als regenvlagen het gezicht / van deze striemende wierde en stroomde alles open / en uit erosie teisterde de stijlrand tot steiler’. Achter ‘uit’ moet een komma: alles stroomde open en uit.
Mode speelt een rol. De Vijftigers hadden de leestekens zo’n beetje afgeschaft en lezers moesten zelf de ambiguïteiten maar oplossen. Iemand als Gerrit Kouwenaar is een mooi voorbeeld, vooral als hij als toppunt van dwarsigheid niet passende leestekens op rare plekken in het gedicht zet. De leestekens zelf worden er raar van. Maar daar gaat het gedicht dan ook over. Ik ken ook een dichteres die wanhopig kan worden van al die punten, komma’s en puntkomma’s, die schudt soms een zak van die dingen uit over het gedicht, dat geeft een vreemd en grappig effect
Maar als je in principe komma’s plaatst tussen hoofdzinnen, blijft er voor de rest nog genoeg te doen over. De lezer moet zich tenslotte ook nog bezighouden met zoiets als betekenis en het volgen van de associaties. Maar in het algemeen hou ik er dus niet zo van; te veel leestekens maken van het gedicht een invuloefening en halen de spanning eruit. Een puntkomma vind ik een fijn teken.
De grammatica in de titel is vreemd: niet ‘herstelde wierde’, maar ‘een wierde hersteld’.
Dat vond ik lekker klinken. Je kunt zo ook beter zien dat het gaat om een wierde die dat gigantische verleden met zich meesleept en de reconstructie van de oude vorm. Het gedicht is gemaakt naar aanleiding van die reconstructie die dit jaar klaar moet zijn. Je hebt de wierde en je hebt het herstel van de wierde Op p. 24 is de hele tekst cursief. Het is een schaduwgedicht, een soort commentaar. Bij een dramatekst zou je spreken van hoofd- en neventekst. In de cursieve gedichten gaat het over hoe het nu is. Pieterpadlopers komen aan bij de wierde die een begraafplaats is, maar dat realiseren ze zich niet. Ze eten hun boterham, maken veel kabaal, drinken iets, en gaan tussen de struiken plassen. Ze zijn zich nauwelijks bewust van het feit dat ze ook op weg zijn naar hun graf.
‘steekt altijd een windvlaag / symbolen de kroon’. De lezer denkt: ‘steekt een windvlaag op’ of ‘steekt een windvlaag naar de kroon’.
De windvlaag wint het van de symbolen, hoe krachtig die ook zijn. De vogel- en vleermuisvleugel aan de op het graf gebeitelde zandloper laten je zien dat de dood bij dag en bij nacht komt. Ze zijn sterker dan God. Maar de wind, die is in Groningen het sterkst van alles. Tussen symbolen’ en ‘kroon’ had eigenlijk ‘naar’ gemoeten, ik vond het zo wel mooi strak en bovendien schudt het de alerte lezer wakker.
Hoofdletters zal ik niet gauw gebruiken; alleen aan het begin van het gedicht. Ik denk nu na of ik niet elke strofe wil beginnen met een hoofdletter, dat deed ik vroeger ook. Midden in een regel wil ik het niet.
Een hoofdletter na een vraagteken moet eigenlijk wel. ‘telt in het hoofd wel mee? Dwarshoofdje om ze monddood / te maken moet je ze blauwe plekken prijzen’. (p.31). Zo hoort het. Maar op p. 33 staat: ‘gaan jullie mee / zwemmen? wisten hun vingers op de zere plek / te leggen’. Zo doe ik het nu. Een hoofdletter in het midden van een regel werkt verstorend op de gang van het gedicht en het is ook te netjes. Het hoeft allemaal niet zo netjes in de poëzie. Het moet wel verantwoord kunnen worden en een bundel moet een eenheid zijn. Hier is dat dus fout gegaan.
Je ziet je eigen ontwikkeling. Sommige gedichten zijn ouder dan andere. Daar komen die verschillen vandaan. Wat is het toch, dat gedoe met die leestekens?
Haken. ‘Hier [is het krimpende wind en vrouwen aan boord].’ (p.33) Tussen die haken gebeurt er iets. Wat gebeurt er? Je moet in een gedicht dwars op de rails gaan liggen. Op p. 31 van de bundel staat: ‘Geen beugelbekmombakkesje te zien / blitsjend zspatten flitsjend sterren van haar glimmend strakke / wachters af (kon haar stem ook maar voortaan) Je wilt iets niet zeggen en toch weer wel. Het is een tussengebied. Het geeft paradoxaal genoeg extra nadruk.

Wil je ook iets zeggen over neologismen?
Neologismen zijn leuk, net als klanknabootsingen. Maar 'gromme' in 'Over het volgen van het verstand' is gewoon een bijvoeglijk gemaakte infinitief die is afgekort en die mooi op 'dronken' in de regel ervoor rijmt en het goed doet bij de overige klanken.
De laatste tijd gebruik ik meer uitroeptekens. Ze zijn verdacht. Je leert dat je spaarzaam moet zijn met die tekens, maar ik vind ze wel lekker.
Wat ik erg leuk vind, is het gebruik van cursief. Op p. 57 staat een gedicht naar aanleiding van een schilderij van Gertjan Scholte-Albers. Elke strofe begint met een regel in cursief. Het is een soort commentaar van mij, als inleiding op de strofe. Tegenwoordig kies ik vaak cursief, wat vroeger met aanhalingstekens ging, maar dat vind ik ook wel weer jammer. Bij Celan kwam ik tegen: aanhalingstekens zijn net hazeoortjes die boven het land uitsteken, op hun hoede. Luisteren of er gevaar dreigt.
Midden in de tweede strofe is het cursieve ook commentaar: ‘zich losbreekt magenta het bos in november te laaien / zet het is een misvatting te denken dat God / zich hier inlaat. Hier lokt diepte trekt je erin’ De schilder vroeg toen hij het las: ‘Hoezo?’ Het is commentaar van mij op zijn opvattingen.
Op p. 52 staat in het gedicht ‘Prinsenhoftuin’: een schaduw wijst van de andere kant: // zorg dat je wat van jou is niet kwijt // raak! De tuin is leeg’
Ik heb het werkwoord weggelaten achter ‘kwijt’, anders zou je twee keer ‘raak’ krijgen. Het is een citaat op een zonnewijzer. Ellipsen gebruik ik vaker. Het is soms nodig, omdat er anders iets overbodigs staat. Het mag niet dubbel op. En er verdwijnt iets, een mogelijkheid die in de poezie interessant is en waar je grapjes mee kunt uithalen.
Er stond ooit een interview met mij in de Volkskrant. Ik zei en passant: ‘Gedichten schrijf je met je handen.’ De interviewer gebruikte het als kop. Het is ambachtelijk. Ik schrijf met pen en papier. Ik kijk naar mijn hand, hoe hij beweegt over het papier. Als het iets wordt, orden ik het op de computer. Iets wat een strofe zou kunnen worden, schrijf ik graag een aantal malen op. Dat schept het gedicht, het stuwt. De beweging is mooi. Het is toch fascinerend: tekentjes op papier en dat wordt iets. Het gaat iets betekenen.
Op de computer kan het ook, maar dan is het toch minder lichamelijk. Ik hou niet van de gemeenplaats dat het gedicht zich zelf schrijft, maar ja, het gedicht is wel de ultieme instantie die bepaalt welke kant het opgaat. Het moeilijkste moment is als het dreigt een bepaalde kant op te gaan. Elke volgende stap beperkt de vrijheid. Je sluit voortdurend mogelijkheden uit.
Over metaforen denk ik niet na. Ze zijn er soms. Vaak is het hele gedicht een metafoor. Een voorbeeld is ‘The lark ascending’. Het gaat over de leeuwerik, maar als je het uit hebt, begrijp je dat het over rouw gaat. Vergelijkingen vind je vaker in de bundel: ‘zij resoneert als een klankkast’.
Je kunt humor opvatten als een stijlfiguur. Het gaat vanzelf in mijn gedichten. Heel erge dingen kun je op een grappige manier uitdrukken. Grimmig ja, sardonisch. Je mag het niet dood ironiseren.
Hoe ik het vak heb geleerd? Ik heb tijdens mijn studie geleerd gedichten te analyseren, maar produceren is nog iets anders. Ik schreef al veel eerder. Toen ik negentien was, schreef ik gedichten en die zijn later gepubliceerd in een bundel op het Spinoza Lyceum, waar ik toen les gaf. Maar in 1996 was er de eerste echte dichtregel. Ik zat in de auto en hoorde op de radio: ‘Het is rustig hier op het eiland.’ Er ging een schok door me heen. Nu vind ik die regel tamelijk gewoon, maar toen kwam hij op het juiste moment om me te raken. We weten het wel: poëzie is gemaakt van woorden. Je leert het door te schrijven en er over te praten, te lezen. Je moet luisteren.
=

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen